ECLI:NL:PHR:2003:AF2688
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortzetting gezamenlijk ouderlijk gezag bij ongehuwde ouders na uit elkaar gaan
In deze zaak verzocht de moeder wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag over hun kind, waarbij zij alleen het gezag wilde verkrijgen. De rechtbank wees dit verzoek toe, maar het hof vernietigde deze beschikking en wees het verzoek af, stellende dat het gezamenlijk gezag na het uit elkaar gaan van ouders in beginsel blijft voortbestaan.
De moeder stelde in cassatie dat het hof onjuist had geoordeeld omdat zij en de vader niet gehuwd waren en dat het gezamenlijk gezag niet automatisch zou moeten voortduren. De Hoge Raad overwoog dat sinds de Wet van 6 april 1995 ook ongehuwde ouders gezamenlijk gezag kunnen uitoefenen indien zij dit wensen. Voorts is het uitgangspunt dat gezamenlijk gezag na het uit elkaar gaan van ouders wordt voortgezet, tenzij het belang van het kind zich daartegen verzet.
Het hof had geoordeeld dat de communicatieproblemen tussen ouders niet zodanig waren dat het belang van het kind een wijziging van het gezag rechtvaardigde. De Hoge Raad vond dit oordeel juist en voldoende gemotiveerd. De cassatie werd verworpen, waarmee het gezamenlijk gezag bleef bestaan.
Uitkomst: Het hofbesluit dat het gezamenlijk gezag van ongehuwde ouders na uit elkaar gaan in beginsel voortduurt wordt bevestigd; het verzoek tot eenhoofdig gezag wordt afgewezen.