ECLI:NL:HR:2003:AF2688
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Beëindiging gezamenlijk gezag ongehuwde ouders na uiteengaan niet zonder rechterlijke toetsing
De moeder verzocht de rechtbank om het gezamenlijk gezag over haar minderjarige dochter te beëindigen en het gezag aan haar alleen toe te wijzen. De vader stemde hiermee in. De rechtbank wees het verzoek toe, maar het hof vernietigde deze beschikking en wees het verzoek af. Het hof motiveerde dat het uitgangspunt is dat ouders na het uiteengaan gezamenlijk het gezag blijven uitoefenen, tenzij er omstandigheden zijn die dit verhinderen.
De moeder stelde in cassatie dat het hof ten onrechte het onderscheid maakte tussen gehuwde en ongehuwde ouders, en dat bij ongehuwde ouders een eenzijdige beëindiging van het gezag mogelijk moet zijn zonder toetsing aan het belang van het kind. De Hoge Raad verwierp dit standpunt en bevestigde dat zowel bij gehuwde als ongehuwde ouders het gezamenlijk gezag in beginsel blijft voortduren na het uiteengaan.
De Hoge Raad benadrukte dat de wetgever met art. 1:253n BW een rechterlijke beslissing vereist voor het beëindigen van gezamenlijk gezag, ongeacht of het gezag is ontstaan door huwelijk of door gezamenlijke keuze van ongehuwde ouders. Het belang van het kind is hierbij het toetsingskader. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde het oordeel van het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen; het gezamenlijk gezag blijft in stand tenzij de rechter anders beslist op grond van het belang van het kind.