ECLI:NL:PHR:2003:AF3097
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens schending redelijke termijn en onjuiste dagvaarding in oplichtingszaak
De verdachte werd door het hof Arnhem veroordeeld voor oplichting en valsheid in geschrift. In cassatie werd aangevoerd dat de dagvaarding in hoger beroep niet rechtsgeldig was betekend, onder meer omdat het hof niet had onderzocht of de verdachte ten tijde van de oproeping gedetineerd was en geen afschrift van de dagvaarding aan de raadsman was verzonden.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte had verzuimd te onderzoeken of de verdachte gedetineerd was, terwijl hij geen bekende woon- of verblijfplaats had. Ook was het onbegrijpelijk dat het hof niet had vastgesteld of de raadsman een afschrift van de dagvaarding had ontvangen, hetgeen een schending van art. 51 Sv Pro en art. 6 EVRM Pro opleverde.
Verder werd overwogen dat de overschrijding van de redelijke termijn door het openbaar ministerie niet tot niet-ontvankelijkheid leidt, maar tot strafvermindering, mede omdat de verdachte zelf door het wijzigen van adressen en het ontbreken van een bekend verblijfadres aan betekening had belemmerd.
Ten slotte werd vastgesteld dat de bewezenverklaring onjuist was geformuleerd, maar dat dit kon worden verbeterd. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof 's-Hertogenbosch voor hernieuwde berechting.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.