ECLI:NL:PHR:2003:AF6596
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in beklag tegen rechtshulpverzoek zonder voorafgaand verlof rechtbank
In deze zaak heeft de rechtbank te 's-Gravenhage een klaagschrift gegrond verklaard voor zover dat inhield dat aan een rechtshulpverzoek geen uitvoering mocht worden gegeven zonder voorafgaand verlof van de rechtbank. De overige verzoeken van de betrokkene werden afgewezen. De betrokkene had bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de officier van justitie om gegevensdragers met tapgesprekken aan de Britse autoriteiten te verstrekken zonder dat daarvoor verlof van de rechtbank was verkregen.
De Hoge Raad oordeelt dat het klaagschrift niet ontvankelijk is. Volgens de Hoge Raad betreft het hier geen inbeslaggenomen stukken van overtuiging, maar gegevensdragers die met gebruikmaking van strafvordelijke bevoegdheden zijn verkregen. Deze kunnen alleen worden overgedragen aan buitenlandse autoriteiten indien de rechtbank daarvoor verlof verleent, zoals bepaald in artikel 552oa en 552p Wetboek van Strafvordering.
De Hoge Raad stelt dat het verzoek om uitvoering van het rechtshulpverzoek pas toe te staan na verleend verlof niet op grond van de genoemde artikelen kan worden gedaan en dat de enige mogelijkheid is een kort geding bij de burgerlijke rechter. Hierdoor is de rechtbank ten onrechte tot ontvankelijkheid van het klaagschrift gekomen. De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn beklag.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn beklag tegen het rechtshulpverzoek zonder voorafgaand verlof van de rechtbank.