ECLI:NL:PHR:2016:395
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verwerping strafmatigingsverweer en verweer tegen verlof tot tenuitvoerlegging Duitse veroordeling wegens gebruik onrechtmatig bewijs
De zaak betreft het cassatieberoep van een veroordeelde tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, die verlof verleende tot tenuitvoerlegging van een Duitse gevangenisstraf van elf jaar wegens een gewapende overval, waarbij de Nederlandse rechtbank de straf matigde tot negen jaar.
De veroordeelde voerde in cassatie twee klachten aan: dat de Duitse veroordeling in strijd met artikel 6 EVRM Pro tot stand was gekomen door gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs (een bivakmuts) en dat de rechtbank het matigingsverweer onbegrijpelijk had gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank terecht was uitgegaan van de rechtmatigheid van het Duitse strafproces en dat er geen sprake was van flagrante schending van fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging.
De Duitse procedure had uitvoerig het bewijs van de bivakmuts behandeld, waarbij DNA van de veroordeelde was aangetroffen. De Duitse cassatieprocedure had ook de brief van een Nederlandse officier van justitie betrokken die de rechtmatigheid van de overdracht van de bivakmuts aan de Duitse autoriteiten bevestigde. De verdediging had toegang tot deze brief, zodat er geen sprake was van een verrassingsbeslissing.
De Hoge Raad stelde dat het verweer dat het Duitse vonnis gebaseerd is op onrechtmatig bewijs niet slaagt, en dat het matigingsverweer door de rechtbank voldoende was gehonoreerd door de straf te matigen van elf naar negen jaar. De klachten faalden en het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verlof tot tenuitvoerlegging van de Duitse gevangenisstraf wordt bevestigd met matiging van de straf tot negen jaar.