ECLI:NL:PHR:2013:BW6552
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over fiscale behandeling onzakelijke leningen en rente-imputatie bij gelieerde partijen
Deze zaak betreft de fiscale behandeling van afwaarderingen en rente-imputaties op leningen die een moedervennootschap verstrekte aan haar dochtervennootschappen. De belanghebbende wilde afwaarderingen op haar vorderingen op dochtermaatschappijen ten laste van haar fiscale winst brengen, terwijl de fiscus dit afwees wegens onzakelijkheid van de leningen en eiste dat zakelijke rente werd geïmputeerd.
De Rechtbank oordeelde aanvankelijk dat afwaarderingen aftrekbaar waren, maar dat rente geïmputeerd moest worden. Het Gerechtshof vernietigde dit en oordeelde dat de afwaarderingen niet aftrekbaar waren omdat sprake was van onzakelijke leningen, en bevestigde de rente-imputatie. De belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het Hof.
De Hoge Raad bevestigt dat een lening onzakelijk is als geen onafhankelijke derde onder dezelfde voorwaarden een dergelijke lening zou verstrekken zonder winstdeling. De onzakelijkheid strekt zich ook uit tot de rentevordering, die dan eveneens onzakelijk is en waarvoor rente geïmputeerd moet worden. Een voorziening voor oninbaarheid van de geïmputeerde rente is niet toegestaan omdat het debiteurenrisico buiten de belaste winstsfeer ligt. De rente-imputatie moet worden gebaseerd op een borgstellingsanaloge rente zonder risico-opslag. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; afwaarderingen op onzakelijke leningen zijn niet aftrekbaar en zakelijke rente moet worden geïmputeerd.