ECLI:NL:PHR:2003:AH9978
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van verdediging bij verstek van minderjarige verdachte in hoger beroep
In deze zaak is een minderjarige verdachte in hoger beroep verstek verleend omdat hij niet op de terechtzittingen verscheen en geen uitdrukkelijke machtiging gaf aan zijn raadsman om hem te verdedigen. Het hof weigerde de raadsman zonder machtiging de verdediging te laten voeren en wees een verzoek tot heropening van het onderzoek af, ondanks dat de verdachte later contact zocht en zijn bereidheid tot verschijnen kenbaar maakte.
De Hoge Raad oordeelt dat artikel 279 van Pro het Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op minderjarige verdachten en dat het machtigingsvereiste strikt moet worden nageleefd. De raadsman zonder uitdrukkelijke machtiging mag slechts het woord voeren ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en verzoeken om aanhouding, maar niet de verdediging voeren.
Verder benadrukt de Hoge Raad dat het recht van de verdachte op aanwezigheid moet worden afgewogen tegen het belang van een behoorlijke rechtspleging. In deze zaak woog het belang van gelijktijdige berechting met de medeverdachte zwaarder dan het belang van de verdachte bij heropening van het onderzoek. De klachten van de verdachte over termijnoverschrijding en het niet heropenen van het onderzoek worden verworpen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het oordeel van het hof dat de raadsman zonder machtiging niet mocht optreden als verdediger en dat het onderzoek niet heropend werd ondanks het verzoek van de verdachte.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het verstek en de afwijzing van het verzoek tot heropening van het onderzoek.