ECLI:NL:PHR:2003:AL8442
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verplichting tot medewerking aan bloedonderzoek na prikincident tijdens medische behandeling
In deze zaak vorderde een kaakchirurg dat een patiënt, die tijdens een noodzakelijke medische ingreep een prik- of snijincident veroorzaakte, meewerkte aan een bloedafname voor HIV-onderzoek. De patiënt verzette zich op grond van zijn grondrechten op lichamelijke integriteit en privacy. De rechtbank en het hof wezen de vordering toe en oordeelden dat de patiënt uit hoofde van de behandelingsovereenkomst en de redelijkheid en billijkheid verplicht was mee te werken.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat grondrechten zoals het recht op lichamelijke integriteit en privacy beperkingen kunnen ondergaan op grond van ongeschreven normen uit het burgerlijk recht, zoals art. 6:162 BW Pro en de redelijkheid en billijkheid. De bijzondere contractuele relatie tussen arts en patiënt brengt een zorgvuldigheidsverplichting mee die ook na beëindiging van de behandeling geldt.
De Hoge Raad oordeelde dat de belangenafweging door het hof zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij het relatief geringe inbreuk op de grondrechten van de patiënt werd afgewogen tegen het zwaarwegende gezondheidsbelang van de arts om zekerheid te verkrijgen over mogelijke HIV-besmetting. Er waren geen minder ingrijpende alternatieven en het gedwongen bloedonderzoek was proportioneel en subsidiariteitstoets was geslaagd.
Het cassatieberoep van de patiënt werd verworpen, waarmee de verplichting tot medewerking aan het bloedonderzoek standhield ondanks de inbreuk op grondrechten. De zaak benadrukt de horizontale werking van grondrechten en de mogelijkheid van beperkingen daarvan in bijzondere contractuele verhoudingen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de patiënt verplicht is mee te werken aan het bloedonderzoek ondanks inbreuk op grondrechten.