ECLI:NL:PHR:2004:AN4672
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt naheffingsaanslag accijns wegens onjuiste belastingplichtige en grove schuld niet bewezen
In deze zaak gaat het om een naheffingsaanslag accijns die is opgelegd aan belanghebbende, een groothandelaar in minerale oliën, die goederen betrok van leveranciers die betrokken waren bij accijnsfraude. Het hof had geoordeeld dat belanghebbende accijns verschuldigd was op grond van artikel 2b en 2f van de Wet op de accijns, en dat sprake was van grove schuld, waardoor ook een boete werd opgelegd.
De Hoge Raad onderzoekt of belanghebbende terecht als belastingplichtige is aangemerkt en of de boete terecht is opgelegd. De Raad stelt dat voor heffing op grond van artikel 2f van de Wet vereist is dat de voorhandenhebber wist of redelijkerwijs kon weten dat de accijns nog niet was voldaan. De Inspecteur moet dit bewijzen. In deze zaak is onvoldoende vastgesteld dat belanghebbende deze wetenschap had, mede omdat belanghebbende te goeder trouw was en facturen ontving met vermelding dat accijns was inbegrepen.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de Inspecteur bij beleidsvrijheid zorgvuldig belangen moet afwegen, wat hier niet is gebeurd. Ook is niet gebleken dat belanghebbende grove schuld had; onvoldoende zorgvuldigheid is niet gelijk aan grove schuld. Daarom vernietigt de Hoge Raad de naheffingsaanslag en boete en wijst het beroep toe.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de naheffingsaanslag en boete omdat belanghebbende niet wist of redelijkerwijs kon weten dat accijns niet was voldaan en grove schuld niet is bewezen.