Conclusie
Inleiding
rechtstreekse afleveringals bedoeld in artikel 2a, lid 5, Wet op de accijns (WA) en artikel 4 Uitvoeringsbesluit Pro accijns (UB). Dat houdt in dat de leveranciers van belanghebbende de minerale oliën onder schorsing van accijns vervoeren naar een door belanghebbende aangewezen plaats van bestemming (een andere plaats dan de eigen AGP) en dat belanghebbende – na aankomst van de goederen op de plaats van bestemming – de verschuldigde accijns voldoet, die zij doorberekent aan haar afnemer. De minerale oliën gaan dus niet fysiek door de AGP van belanghebbende.
onderdeel 1 van het middel);
onderdeel 2 van het middel);
onderdeel 3 van het middel);
onderdeel 4 van het middel); en
onderdeel 5 van het middel).
De feiten en het geding bij de Rechtbank
Het geding in cassatie
onderdeel 1 van het middel);
onderdeel 2 van het middel);
onderdeel 3 van het middel);
onderdeel 4 van het middel); en
onderdeel 5 van het middel).
ofvan de geregistreerde afzender. Artikel 56, lid 1, WA bepaalt echter dat de vergunninghouder van een AGP
ende geregistreerde afzender zekerheid dienen te stellen voor alle accijns die zij verschuldigd zijn of kunnen worden. Deze verdubbeling van zekerheid is in strijd met de Accijnsrichtlijn.
Klensch [12] , Mignini [13] , Ruckdeschel [14] en
Effem [15] .
rechtstreekse afleveringeen facultatieve regeling betreft voor de lidstaten (artikel 17, lid 2, Accijnsrichtlijn), is te dezen niet relevant. De van een vergunninghouder van een AGP te verlangen zekerheid past binnen de systematiek van de artikelen 16 en 18 Accijnsrichtlijn.
rechtstreekse aflevering verschuift de verantwoordelijkheid van de ene partij naar de andere. De leverende oliemaatschappij (de verzendende vergunninghouder) is verantwoordelijk voor de uitslag en het vervoer onder schorsing van accijns. Hiervoor stelt zij zekerheid. Als de olie op de juiste manier is geleverd, is de leverancier gekweten en houdt haar verantwoordelijkheid op. Na aflevering gaat de verantwoordelijkheid over op belanghebbende. Zij dient te zorgen voor een juiste afdracht van de verschuldigde accijns. Voor deze periode tot en met de afdracht stelt belanghebbende zekerheid.
De nationale regeling inzake doorlopende zekerheid voor een vergunning AGP
geregistreerde afzendergenoemd als degene die zekerheid moet stellen voor de accijns die hij verschuldigd is of kan worden. De geregistreerde afzender is een figuur die de bestaande richtlijn niet kent en die in de Accijnsrichtlijn 2008 is opgenomen in artikel 4, onderdeel 10. Op grond van artikel 17, eerste lid, onderdeel b, van de Accijnsrichtlijn 2008 kan een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling ook aanvangen op de plaats van invoer, indien zij worden verzonden door een geregistreerde afzender.
in plaats van de erkende entrepothouder van verzending (de accijnsgoederenplaats van verzending).
rechtstreekse afleveringals bedoeld in artikel 2a, lid 5, WA (zie onderdeel 2.2 van deze conclusie). Deze bepaling luidt als volgt (cursivering CE):
rechtstreekse afleveringin Nederland.”
rechtstreekse afleveringvindt plaats onder schorsing van accijns (artikel 2a, lid 5, WA). Zodra de accijnsgoederen op de plaats van de rechtstreekse aflevering zijn ontvangen, moeten de goederen worden uitgeslagen tot verbruik (artikel 4, lid 3, onderdeel f, UB).
rechtstreekse afleveringplaatsvindt onder schorsing van accijns is, zoals in hoofdstuk 7 duidelijk zal worden, van belang voor de beantwoording van de vraag welke persoon zekerheid moet stellen. Hierna zet ik uiteen op welke wijze het fenomeen accijnsschorsingsregeling in de Accijnsrichtlijn is vormgegeven.
Accijnsschorsingsregeling in de Accijnsrichtlijn
rechtstreekse afleveringneergelegd. Deze faciliteit, die belanghebbende heeft benut (zie onderdeel 2.2), komt hierna aan de orde.
rechtstreekse afleveringop zijn grondgebied, wanneer die plaats is aangewezen door de erkende entrepothouder in de lidstaat van
bestemmingof door de geregistreerde
geadresseerde:
rechtstreekse aflevering(artikel 2a, lid 5, WA). Vast staat dat belanghebbende op verzoek gebruik maakt van deze faciliteit (zie onderdeel 2.2 van deze conclusie).
rechtstreekse afleveringenis degene die de afgeleverde accijnsgoederen aan de accijnsregeling onttrekt de persoon die de accijns moet voldoen. Indien die persoon de accijns niet zou voldoen, kan de accijns ook worden geheven van de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of een andere persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is (artikel 8, lid 1, onder a, Accijnsrichtlijn). De onttrekker en de laatstbedoelde persoon zijn dan hoofdelijk aansprakelijk voor de accijnsschuld (artikel 8, lid 2, Accijnsrichtlijn).
Accijnsschorsingsregelingen en zekerheidstelling in de (voorloper van de) Accijnsrichtlijn
vervoerderof de
eigenaarvan de produkten ten einde de aan het intracommunautaire verkeer verbonden risico's te beperken;
vervoerderof de
eigenaarvan produkten teneinde de aan het intracommunautaire verkeer verbonden risico's te beperken;
rechtstreekse afleveringvan accijnsgoederen onder schorsing van accijns te doen plaatsvinden. Ook was in deze richtlijn ‘voorhanden hebben’ niet expliciet als uitslag tot verbruik aangemerkt. In de Accijnsrichtlijn is dat alsnog gebeurd.
Hoofdstuk III: Productie, verwerking en voorhanden hebben
artikelen 14 en 15[artikelen 15 en 16 van de Accijnsrichtlijn; CE] komen overeen met de artikelen 11 tot en met 13 van Richtlijn 92/12/EEG.
Hoofdstuk IV, Overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijnsbevat vernieuwende bepalingen: artikel 16 luidt Pro dat de producten niet alleen bestemd kunnen zijn voor belastingentrepots, maar ook voor erkende natuurlijke of rechtspersonen („geregistreerde geadresseerden”), en, met toestemming, naar een „plaats van rechtstreekse aflevering” mogen worden gebracht, aangewezen door een geregistreerde geadresseerde. Het EESC onderschrijft een en ander en hoopt dat de controleprocedures zo goed zijn dat misbruik wordt uitgesloten. Het zou wel een goede zaak zijn als de beroepsprofielen die onder de richtlijn vallen, nader zouden worden omschreven.”
Kan voor de rechtstreekse afleveringen zekerheid worden gevraagd (onderdeel 1 van het middel) van belanghebbende (onderdeel 3 van het middel)?
Van de Water [25] een sleutelarrest. De nationale jurisprudentie over ‘voorhanden hebben’ gaat over de uitleg van bepalingen uit de tot 1 april 2010 geldende WA, onder meer artikel 2f (oud) WA. Op grond van artikel 2f (oud) WA werd als uitslag tot verbruik aangemerkt het voorhanden hebben van een accijnsgoed dat niet overeenkomstig de bepalingen van de WA in de heffing is betrokken. De destijds geldende richtlijn 92/12 kende een dergelijke bepaling niet.
Van de Wateren de arresten van de Hoge Raad [26] die nadien zijn gevolgd, geven uitleg aan het begrip voorhanden hebben van een accijnsgoed
buiten een accijnsschorsingsregeling(en dus buiten een belastingregeling die geldt voor het onder schorsing van accijns produceren, verwerken, voorhanden hebben en overbrengen van niet onder een douaneschorsingsregeling geplaatste accijnsgoederen; zie artikel 4, lid 7, Accijnsrichtlijn). [27] Deze arresten behandelen dus de vraag of sprake is van uitslag tot verbruik. In de zaak van belanghebbende speelt die vraag niet. In deze zaak is immers duidelijk dat uitslag tot verbruik plaatsvindt zodra de minerale oliën op de aangewezen plaats van bestemming aankomen (zie onderdeel 4.9). De vraag is hier juist of voor het traject voorafgaand aan de uitslag tot verbruik, waar de goederen zich nog onder een (accijns)schorsingsregeling bevinden, zekerheid kan worden gevraagd. Die vraag behandel ik hierna.
onder een accijnsschorsingsregeling(en dus niet als voorhanden hebben
buiten een accijnsschorsingsregelingals bedoeld in artikel 7, lid 2, onder b, Accijnsrichtlijn). Een andersluidende uitleg strookt niet met de bewoordingen van de artikelen 15 en 16 Accijnsrichtlijn, indien die in onderlinge samenhang worden gelezen. Het voorhanden hebben van accijnsgoederen
onder een accijnsschorsingsregelingkan slechts plaatsvinden in een belastingentrepot (artikel 15, lid 2, Accijnsrichtlijn). Onder belastingentrepot wordt verstaan: iedere plaats waar de erkende entrepothouder bij de bedrijfsuitoefening accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling produceert, verwerkt, voorhanden heeft, ontvangt of verzendt, zulks onder bepaalde voorwaarden die zijn vastgesteld door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar dit belastingentrepot gelegen is (artikel 4, lid 11, Accijnsrichtlijn). Omdat het voorhanden hebben van accijnsgoederen onder schorsing van accijns ingevolge artikel 15, lid 2, Accijnsrichtlijn slechts mogelijk is op een plaats die als belastingentrepot is aangewezen, is het mijns inziens buiten redelijke twijfel dat ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in die bepaling en in artikel 16, lid 2, onder a, Accijnsrichtlijn een fysieke aanwezigheid vereist van de goederen op die plaats. Immers, een belastingentrepot is volgens de definitie een ‘plaats’, een tastbaar iets. Ik wijs in dit verband ook op artikel 16, lid 2, onder b, Accijnsrichtlijn dat spreekt over “de lidstaat op wiens grondgebied het belastingentrepot gelegen is”.
rechtstreekse afleveringals bedoeld in artikel 2a, lid 5, WA en artikel 4 UB Pro (zie onderdeel 2.2 van deze conclusie). Deze faciliteit is, zoals gezegd, gebaseerd op het bepaalde in artikel 17, lid 2, Accijnsrichtlijn dat bepaalt dat de lidstaat van bestemming onder de door hem gestelde voorwaarden kan toestaan dat accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling worden overgebracht naar een plaats van
rechtstreekse afleveringop zijn grondgebied, wanneer die plaats is aangewezen “door de erkende entrepothouder in de lidstaat van bestemming of door de geregistreerde geadresseerde”.
ofde geregistreerde afzender om de risico's te dekken die verbonden zijn aan het overbrengen onder schorsing van accijns. De in lid 4 van artikel 18 Accijnsrichtlijn Pro opgenomen uitzondering op de verplichte zekerheidstelling (in de WA overgenomen in artikel 56, lid 4, WA), doet zich te dezen niet voor. Anders dan belanghebbende betoogt, is de
rechtstreekse afleveringdus wel degelijk een activiteit waarvoor de Accijnsrichtlijn een verplichte zekerheidstelling voorschrijft.
Onderdeel 1 van het middelfaalt dus.
verzendingof de geregistreerde
afzender. Uit de stukken van het geding leid ik af dat belanghebbende noch de entrepothouder van verzending noch de geregistreerde afzender is. Belanghebbende heeft voor de Rechtbank onbestreden aangevoerd dat haar leverancier met betrekking tot de rechtstreekse afleveringen de entrepothouder van verzending is. [28] De Staatssecretaris vermeldt in zijn verweerschrift in cassatie ook dat de leverancier van belanghebbende “de verzendende vergunninghouder” [29] is en belanghebbende de geadresseerde van de rechtstreekse afleveringen. [30] Wat alleen niet past bij deze constateringen is dat zowel belanghebbende [31] als de Staatssecretaris [32] vermeldt dat de bedrijfsactiviteiten van belanghebbende bestaan uit “het rechtstreeks afleveren van de minerale oliën aan andere handelaren in minerale oliën en tankstations”. Dat laatste zou kunnen betekenen dat belanghebbende de verzendende vergunninghouder is. Uit de stukken volgt mijns inziens echter overduidelijk dat dit laatste niet juist kan zijn. Ik denk daarom dat het geciteerde zinsdeel accijnstechnisch niet zuiver is geformuleerd. Omdat de feitenvaststelling door de Rechtbank nogal summier is en niets vermeldt over de gang van zaken met betrekking tot de rechtstreekse afleveringen (het ‘feit’ in onderdeel 2.2 heb ik zelf uit de stukken afgeleid), terwijl de procedure juist draait om de vraag of zekerheid kan worden gesteld voor de (rechtstreekse) leveringen van de minerale oliën, kan ik mij voorstellen dat de Hoge Raad verwijzing op dit punt nodig acht.
verplichtezekerheidstelling kan evenmin op artikel 18, lid 2, Accijnsrichtlijn worden gegrond. Hoewel belanghebbende in beginsel wel als een artikel 18, lid 2, Accijnsrichtlijn genoemde persoon zal kunnen worden beschouwd (als eigenaar of geadresseerde), schept die bepaling een keuzemogelijkheid. Het woord ‘toestaan’ in laatstgenoemde bepaling geeft duidelijk aan dat sprake is van een zekerheid die op verzoek van de desbetreffende personen (de vervoerder, de eigenaar, de geadresseerde of gezamenlijk door twee of meer van deze personen en de in lid 1 bedoelde personen) kan worden gevraagd. Ik vind bevestiging voor deze uitleg in de Engelse [33] , Franse [34] en Duitse [35] tekstversies van artikel 18, lid 2, Accijnsrichtlijn. Dat sprake is van een keuzemogelijkheid komt ook tot uitdrukking in de bewoordingen van de artikelen 56, lid 3, WA en 39a UB. Op grond van die bepalingen kan de inspecteur op verzoek toestaan dat de vervoerder of de eigenaar (de geadresseerde wordt niet genoemd) zekerheid stellen
in plaats vande AGP-houder of geregistreerde afzender.
verplichtezekerheidstelling in het leven roept voor de geadresseerde AGP-houder (die bepaling noemt immers de AGP-houder zonder de toevoeging ‘van verzending’ en kan dus tekstueel gezien ook de geadresseerde AGP-houder betreffen) acht ik, op de gronden als vermeld in onderdeel 7.14, in strijd met de bewoordingen van artikel 18, lid 2, Accijnsrichtlijn.
Onderdeel 3 van het middelslaagt dus.
8.Hoogte van de zekerheid (onderdeel 2 van het middel)
9.Facultatieve zekerheid (onderdeel 4 van het middel)
rechtstreekse afleveringengeldt dat sprake is van het ‘overbrengen onder schorsing van accijns‘ in de zin van artikel 18 van Pro de Accijnsrichtlijn. Lid 1 van die bepaling schrijft een verplichte zekerheid voor die door de erkende entrepothouder van verzending of de geregistreerde afzender wordt gesteld.
10.Algemene beginselen van Unierecht (onderdeel 5 van het middel)
Klensch) en het rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel (zie onder meer
Federation of Technological Industries [38] , punt 29).
Ruckdeschsel, punt 8). In
IATA en ELFAA [39] verwoordde het HvJ dit als volgt:
Schmelz [41] heeft het HvJ als rechtvaardigingsgrond aanvaard: de noodzaak de doeltreffendheid van de fiscale controles te waarborgen. Uit
Ideal Tourisme [42] volgt dat de stand van de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten een rol van betekenis speelt bij de beoordeling of een rechtvaardigingsgrond bestaat; hoe minder ver de harmonisatie is gevorderd, des te eerder zal een rechtvaardiging kunnen bestaan voor een nationale discriminerende maatregel.
Schmelz:
Garage Molenheide e.a./Belgische Staat, punt 47 [43] ;
Transport Service, punt 29 [44] ; en
Schmeink & Cofrethen
Strobel [45] , punt 59). Dit beginsel wordt ook wel het proportionaliteitsbeginsel genoemd.
onderdeel 5 van het middel. Gelet op het onderstaande is verwijzing mijns inziens niet nodig, maar kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen.
HR BNB 2005/310 [47] (werknemerskosten),
HR BNB 2010/3 [48] (huwelijkspartner/ongehuwd partner) en
HR BNB 2014/30 [49] en
31 [50] (bedrijfsopvolging). De Hoge Raad acht in deze zaken het door de wetgever respectievelijk de staatssecretaris aangevoerde argument ‘niet van redelijke grond ontbloot’ of gebruikt vergelijkbare bewoordingen. In de eerste en derde zaak kon de Hoge Raad aanhaken bij argumenten die de wetgever in de parlementaire geschiedenis had genoemd. Zie ook
HR BNB 2007/263 [51] (waardeplafond in de regeling van het zogenoemde eigenwoningforfait) waar het gerechtshof Amsterdam de bedoeling van de wetgever in ogenschouw had genomen en de Hoge Raad zich aansloot bij het oordeel van het hof. De tweede zaak,
HR BNB 2010/3, heeft meer weg van de onderhavige zaak omdat het een door de staatssecretaris, in zijn hoedanigheid van procespartij, aangedragen argument betreft.
onderdeel 5 van het middel(ook om die reden) slaagt. Ik geef de Hoge Raad in overweging te bepalen dat de ongelijke behandeling die artikel 22 UR Pro meebrengt, wordt weggenomen.
Conclusie