ECLI:NL:PHR:2004:AO1946
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling exclusiviteit van ontbindingsvergoeding en vorderingen na ontbinding arbeidsovereenkomst
In deze zaak vordert eiseres, voormalig werknemer bij ABN AMRO Bank, een schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de werkgever na ontbinding van haar arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:685 BW Pro. De arbeidsovereenkomst was ontbonden zonder toekenning van een vergoeding. Eiseres stelt dat de bank misbruik van omstandigheden heeft gemaakt door het ontbindingsverzoek in te dienen terwijl zij arbeidsongeschikt was en dat zij daardoor schade heeft geleden.
De rechtbank en kantonrechter hebben het verzoek tot ontbinding en de vergoeding reeds beoordeeld en geweigerd. De Hoge Raad bevestigt dat de vergoeding die de rechter toekent bij ontbinding exclusief is, waardoor er in principe geen ruimte is voor een nieuwe beoordeling van aanspraken die samenhangen met de wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de gevolgen daarvan.
Uitzonderingen op deze exclusiviteit zijn beperkt en betreffen bijvoorbeeld gevallen waarin de rechter bij de ontbinding expliciet bepaalde aanspraken niet heeft meegewogen. In deze zaak is dat niet aan de orde. De Hoge Raad wijst erop dat aanspraken die zien op perioden vóór de ontbinding en geen verband houden met de beëindiging wel in een aparte procedure kunnen worden beoordeeld, maar dat dit niet geldt voor aanspraken die verband houden met de beëindiging zelf.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van eiseres en bevestigt dat de ontbindingsprocedure de exclusieve plaats is voor beoordeling van vergoeding naar billijkheid in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de exclusiviteit van de ontbindingsvergoeding wordt bevestigd.