Uitspraak
23 maart 1990.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om de vraag of opvangouders hoger beroep kunnen instellen tegen een beschikking van de kinderrechter die de termijn van plaatsing van een kind in een tehuis verlengt. Het kind verbleef al bijna twee jaar bij de opvangouders onder een ondertoezichtstelling. De kinderrechter had eerder de plaatsing in het tehuis 'Westland' bevolen, maar deze was niet uitgevoerd vanwege een nader rapport.
De kinderrechter verlengde vervolgens de plaatsing in het tehuis met drie maanden, waarop de opvangouders hoger beroep instelden. Het hof verklaarde hen echter niet-ontvankelijk, stellende dat alleen de ouders toegang tot hoger beroep hebben en dat het samenlevingsverband tussen opvangouders en kind geen gezinsleven in de zin van het EVRM vormt.
De Hoge Raad corrigeerde dit oordeel en stelde vast dat er wel degelijk sprake is van gezinsleven tussen het kind en de opvangouders, gelet op de langdurige verzorging en opvoeding. Desondanks oordeelde de Hoge Raad dat de toepassing van art. 945 lid 3 Rv Pro, die de opvangouders niet-ontvankelijk verklaarde, niet onrechtmatig was omdat de wettelijke termijn van uithuisplaatsing van twee jaar was verstreken en er geen belang meer was bij vernietiging van de beschikking.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de opvangouders geen toegang tot hoger beroep hadden tegen de verlenging van de plaatsing, mede omdat de ondertoezichtstelling niet was verlengd en de termijn van uithuisplaatsing was geëindigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de opvangouders niet-ontvankelijk waren in hun hoger beroep tegen de verlenging van de plaatsing.