ECLI:NL:PHR:2004:AO2785
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling internationale rechtsmacht Nederlandse rechter bij wijziging omgangsregeling kind met verblijfplaats in België
In deze zaak verzocht de moeder de Nederlandse rechtbank om de omgangsregeling tussen de vader en hun dochter, die in België woont, te wijzigen. De rechtbank wijzigde de regeling en ontzegde de vader het omgangsrecht. Het hof verklaarde vervolgens de Nederlandse rechter onbevoegd vanwege het ontbreken van rechtsmacht, mede omdat het kind niet in Nederland woont en het Haags Kinderbeschermingsverdrag niet van toepassing is.
De moeder ging in cassatie tegen dit oordeel. De Hoge Raad stelde vast dat de beoordeling van de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter moet plaatsvinden aan de hand van het recht dat gold op het moment van indiening van het verzoekschrift, het zogeheten perpetuatio fori-beginsel. Dit betekent dat overgangsbepalingen die na de indiening van het verzoek zijn ingevoerd, niet van toepassing zijn op de bevoegdheidsvraag.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte het nieuwe procesrecht toepaste op de bevoegdheidsvraag, terwijl het oude recht van toepassing was. Tevens bevestigde de Hoge Raad dat de bevoegdheidsregel van artikel 5 Rv Pro exclusief is ten opzichte van de algemene bevoegdheidsregels van artikel 3 Rv Pro, waardoor de Nederlandse rechter onbevoegd is indien het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor een nieuwe beoordeling van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van het recht dat gold op het moment van indiening van het verzoekschrift.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter volgens het recht bij indiening van het verzoekschrift.