ECLI:NL:PHR:2004:AO3467
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beperking verdediging door niet-gemachtigde raadsman en matigt straf wegens termijnoverschrijding
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarbij de verdachte is veroordeeld wegens deelname aan een criminele organisatie en overtreding van de Opiumwet. De Hoge Raad behandelt onder meer de vraag of de verdediging door een niet-gemachtigde raadsman mocht worden gevoerd tijdens de hogerberoepszittingen waarbij de verdachte zelf afwezig was.
De Hoge Raad stelt vast dat de stukken van het geding te laat zijn ingediend, waardoor de redelijke termijn voor berechting is overschreden. Dit leidt tot matiging van de opgelegde straf. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het hof ten onrechte een geldboete heeft gekoppeld aan vervangende hechtenis van een langere duur dan wettelijk is toegestaan, en herstelt dit ambtshalve.
Verder bevestigt de Hoge Raad dat de verdediging door een niet-gemachtigde raadsman niet is toegestaan, ook al verscheen telkens een raadsman of raadsvrouw namens de verdachte. De verdachte heeft er bewust voor gekozen zijn raadsman niet uitdrukkelijk te machtigen tot het voeren van de verdediging, en de Hoge Raad acht het hof niet onbegrijpelijk in deze conclusie. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest deels, matigt de straf wegens termijnoverschrijding en bevestigt dat een niet-gemachtigde raadsman niet mag verdedigen.