ECLI:NL:PHR:2004:AO9806
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring poging tot diefstal uit woning ondanks lopende nieuwe strafzaken
De zaak betreft een arrest van de Hoge Raad waarin een vrouw is veroordeeld voor poging tot diefstal uit een woning, gepleegd samen met anderen. Het hof achtte bewezen dat verdachte en haar medeverdachte zich op 15 mei 2002 bij de woning van een bejaarde vrouw begaven, haar met geweld de woning binnendrongen en pogingen deden om geld of goederen te stelen, hoewel het misdrijf niet werd voltooid.
De verdediging voerde onder meer aan dat het bewijs onvoldoende was en dat het feit dat verdachte en haar medeverdachte reeds gedetineerd waren voor andere vermogensmisdrijven niet meegewogen mocht worden. De Hoge Raad oordeelde dat deze laatste omstandigheid niet relevant is voor de bewijsbeslissing en dat het hof terecht uit de uiterlijke gedragingen en het ontbreken van een plausibele verklaring heeft geconcludeerd dat sprake was van poging tot diefstal.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, waarbij ook de bewijsvoering en de toepassing van het beginsel van onschuldpresumptie werden besproken. De zaak illustreert de zorgvuldige afweging van bewijs en het belang van het niet betrekken van nog niet onherroepelijk vastgestelde feiten bij de bewijsbeslissing.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor poging tot diefstal uit woning wordt bevestigd.