ECLI:NL:PHR:2004:AQ7358
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijk aansprakelijkheid inleners voor loon- en omzetbelasting bij faillissement van uitlener
In deze zaak staat centraal of Kemira als inlener op grond van art. 34 Invorderingswet Pro 1990 hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de loon- en omzetbelasting die de failliete uitlener [A] B.V. verschuldigd is over 1995. Kemira betwistte de aansprakelijkstelling onder meer vanwege formele gebreken, onrechtmatigheden in het invorderingsproces en de vraag of er sprake was van inlening van personeel dan wel aanneming van werk.
De rechtbank Rotterdam wees de vordering van de Ontvanger toe, oordeelde dat de aansprakelijkstellingen rechtsgeldig waren en dat de Ontvanger vrij was in de keuze wie aansprakelijk werd gesteld. Het hof 's-Gravenhage bekrachtigde dit oordeel en verwierp de grieven van Kemira, waaronder dat de dagvaarding niet tijdig was, dat de aansprakelijkstelling niet door de bevoegde ontvanger was gedaan, en dat er sprake was van onrechtmatig bestuur.
De Hoge Raad bevestigt dat de dagvaardingstermijn van twee maanden in art. 49 § 3 LI 1990 een fatale termijn is, maar dat uitzonderingen daarop, zoals overleg tussen partijen, hier van toepassing waren. De bevoegdheid tot aansprakelijkstelling kan ook door gemandateerde ambtenaren worden uitgeoefend, ook als het mandaat niet schriftelijk is vastgelegd. De keuze van de Ontvanger om Kemira aansprakelijk te stellen in plaats van de bestuurders van [A] is niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De betwisting dat er sprake was van aanneming van werk in plaats van inlening wordt als een nieuwe stelling afgewezen. De Hoge Raad verwerpt de cassatie en bevestigt het arrest van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de hoofdelijk aansprakelijkheid van Kemira voor de belastingschuld van [A].