ECLI:NL:PHR:2004:AR1739
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verjaring van vordering wegens gemiste wettelijke rente door beroepsfout advocaat
Deze zaak betreft een vordering van eiser tegen zijn voormalige advocaat wegens het niet aanzeggen van wettelijke rente, waardoor eiser schade zou hebben geleden. De rechtbank wees de vordering af wegens verjaring, omdat eiser al in mei 1987 bekend was met de schade en de aansprakelijke persoon. Eiser betoogde dat de verjaring pas later moest aanvangen, namelijk toen hij juridisch op de hoogte was van zijn aanspraak, na arresten van de Hoge Raad uit 1992 en 1997.
Het hof liet de verjaring in het midden en oordeelde dat geen sprake was van een beroepsfout van de advocaat. Eiser stelde cassatie in tegen dit oordeel. De Hoge Raad richt zich in deze conclusie vooral op de verjaringskwestie en bevestigt dat de korte verjaringstermijn van vijf jaar begint te lopen vanaf de feitelijke, subjectieve bekendheid met zowel de schade als de aansprakelijke persoon. Juridische bekendheid is niet vereist.
De conclusie bespreekt uitgebreid de problematiek van terugwerkende kracht van rechtspraak, de maatschappelijke gevolgen van het oprekken van verjaringstermijnen, en de noodzaak van de fictie dat iedereen het recht behoort te kennen. De Hoge Raad sluit aan bij eerdere jurisprudentie en literatuur die stelt dat de verjaringstermijn niet pas begint te lopen wanneer de benadeelde volledig op de hoogte is van zijn juridische positie. De vordering van eiser is daarom verjaard en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De vordering van eiser wegens gemiste wettelijke rente is verjaard en wordt afgewezen.