ECLI:NL:PHR:2004:AR3636
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verdeling gemeenschappelijk vermogen bij beëindiging niet-huwelijkse samenwoning
De zaak betreft de verdeling van gemeenschappelijk vermogen tussen een man en een vrouw die jarenlang samenwoonden zonder gehuwd te zijn. Zij kochten gezamenlijk woningen en sloten hypotheken en verzekeringen af. Na beëindiging van hun relatie ontstond een geschil over de verdeling van de woning, levensverzekering, premiedepot, en de waardering van de woning op een juiste peildatum.
De Hoge Raad benadrukt dat de rechtsverhouding tussen niet-huwelijkse samenwoners wezenlijk verschilt van die van gehuwden. Bij de verdeling van gemeenschappelijk vermogen spelen uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomsten, redelijkheid en billijkheid een grote rol. De tenaamstelling van vermogensbestanddelen is niet doorslaggevend voor de verdeling.
De Hoge Raad bevestigt dat de afkoopwaarde van de levensverzekering en het premiedepot als gemeenschappelijk vermogen moeten worden betrokken. Ook wordt geoordeeld dat de peildatum voor waardering van de woning in beginsel het moment van daadwerkelijke verdeling is, tenzij partijen anders overeenkomen of de redelijkheid en billijkheid een andere datum vereisen.
Verder wijst de Hoge Raad erop dat ongelijke bijdragen aan de woning niet automatisch leiden tot verrekeningsaanspraken, vooral niet als dat niet aannemelijk is gemaakt. Het fiscale voordeel van hypotheekrente moet in mindering worden gebracht bij de verdeling van lasten. De klachten van de man worden afgewezen en het arrest van het hof wordt bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.