ECLI:NL:PHR:2005:AQ7130
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Waardering onroerende zaak Koninklijk Paleis Noordeinde voor WOZ-belasting
De zaak betreft de waardering van het Koninklijk Paleis Noordeinde te Den Haag voor het tijdvak 1997-2000 volgens de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). De vraag was of de onroerende zaak een waarde in het economische verkeer kan hebben, gezien het feit dat het paleis krachtens een besluit aan de Koning ter beschikking is gesteld en niet vrij vervreemdbaar is.
Het Hof Den Haag had geoordeeld dat de wettelijke waarderingsficties van artikel 17, lid 2 Wet WOZ (overdrachts- en verkrijgingsfictie) van toepassing zijn en dat de beperkingen uit het Besluit van 15 juli 1980 niet leiden tot nihilwaardering. Belanghebbende stelde dat objectieve belemmeringen de vervreemding verhinderen, zodat waardering op nihil moet plaatsvinden.
De Hoge Raad bevestigt dat de overdrachtsfictie inhoudt dat wordt uitgegaan van volle en onbezwaarde eigendom, ook als in werkelijkheid beperkingen gelden. Objectieve beperkingen worden pas in de waarderingsfase meegenomen. De persoonlijke beperkingen die voortvloeien uit het gebruik door het Koninklijk Huis en het Besluit van 15 juli 1980 zijn subjectief en mogen niet leiden tot waardedrukkende correcties. Ook acht de Hoge Raad het voldoende dat er een redelijke kans is op wijziging van bestemmingsvoorschriften, waardoor de geldende beperkingen kunnen worden genegeerd.
De middelen van cassatie worden ongegrond verklaard, waarmee het beroep wordt verworpen en de vastgestelde WOZ-waarde gehandhaafd blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde WOZ-waarde van het Koninklijk Paleis Noordeinde blijft gehandhaafd.