ECLI:NL:PHR:2005:AR4844
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontzegging omgangsrecht vader wegens strijd met zwaarwegende belangen van het kind
In deze zaak verzocht de vader om een omgangsregeling met zijn dochter, die bij de moeder woont en onder haar gezag staat. De rechtbank en het hof hebben het verzoek afgewezen vanwege de verstoorde verstandhouding tussen de ouders en het ontbreken van vertrouwen, waardoor gedwongen omgang ernstige spanningen en schade voor het kind zou veroorzaken.
De vader heeft cassatie ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek. De Hoge Raad overweegt dat het recht op omgang, zoals neergelegd in art. 1:377a BW en art. 8 EVRM Pro, slechts kan worden ontzegd indien dit noodzakelijk is ter bescherming van het kind. De rechter moet een zorgvuldige belangenafweging maken, waarbij het belang van het kind doorslaggevend is.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de gespannen relatie en het ontbreken van medewerking van de moeder aan een omgangsregeling een zodanige spanning bij het kind veroorzaken dat omgang in strijd is met diens zwaarwegende belangen. De motieven van het hof zijn voldoende gemotiveerd en kunnen in cassatie niet worden getoetst.
De Hoge Raad wijst ook op de praktische beperkingen van het effectueren van omgangsrecht bij verzet van de gezagdragende ouder en benadrukt dat de rechter bevoegdheden heeft om medewerking af te dwingen, maar dat in dit geval het hof terecht heeft afgezien van gedwongen omgang vanwege het belang van het kind.
Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de afwijzing van de omgangsregeling in stand blijft.
Uitkomst: Het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling wordt afgewezen vanwege strijd met de zwaarwegende belangen van het kind.