ECLI:NL:PHR:2005:AR6386
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij drugshandel en verbeurdverklaring zeilboten
In deze zaak staat de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij verzoeker is veroordeeld voor meerdere misdrijven, waaronder medeplegen van overtredingen van de Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie. Het hof had vastgesteld dat verzoeker een wederrechtelijk voordeel van ruim €1.138.000 had verkregen, berekend via kasvergelijking van geldstromen binnen de criminele organisatie.
Verzoeker stelde in cassatie dat het hof ten onrechte geen rekening had gehouden met de kosten die hij had gemaakt voor de aankoop en het transport van drugs, alsmede met de waarde van twee verbeurdverklaarde zeilboten die hij had aangeschaft. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht geen aftrek heeft toegestaan voor de waarde van de zeilboten, omdat deze investeringen als risicovol en bewust genomen kosten worden beschouwd die niet in mindering mogen worden gebracht op het voordeel.
Verder is geoordeeld dat het hof niet onjuist heeft gehandeld door geen evenredige verdeling van het voordeel toe te passen, aangezien verzoeker een leidinggevende rol had binnen de criminele organisatie. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, waarmee de ontnemingsmaatregel van ruim één miljoen euro gehandhaafd bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontnemingsmaatregel van ruim één miljoen euro en wijst aftrek van de waarde van verbeurdverklaarde zeilboten af.