ECLI:NL:HR:2005:AR6386
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatie beroep inzake berekening wederrechtelijk verkregen voordeel zonder aftrek waarde verbeurdverklaarde zeilboten
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin de betrokkene werd veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had het voordeel berekend op basis van de in- en uitgaande geldstromen van de criminele organisatie waarvan betrokkene de feitelijke leidinggevende was, zonder de waarde van verbeurdverklaarde zeilboten mee te rekenen.
Betrokkene voerde aan dat de waarde van deze zeilboten in de berekening betrokken moest worden, maar het hof verwierp dit omdat niet was aangetoond dat de boten opbrengst van strafbare feiten waren of dat zij kosten opleverden die direct verband hielden met de delicten. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en bevestigde de verplichting van betrokkene tot betaling van een bedrag van € 1.081.126,60 aan de Staat. Hiermee werd het oordeel van het hof bekrachtigd dat investeringen in de boten niet als kosten in mindering konden worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot ontneming van € 1.081.126,60 wordt bevestigd.