ECLI:NL:PHR:2005:AR8899
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het enquêterecht en de toelaatbaarheid van een concernenquête bij Landis en dochtervennootschappen
De zaak betreft een verzoek tot het instellen van een enquêteonderzoek naar het beleid en de gang van zaken bij Landis Group N.V. en haar dochtervennootschappen, ingediend door de Vereniging van Effectenbezitters (VEB). Landis, een ICT-concern, verkeerde in financiële problemen en werd geconfronteerd met faillissementen van verschillende groepsvennootschappen.
De Ondernemingskamer had een onderzoek bevolen naar zowel de moedermaatschappij als drie dochtervennootschappen, mede op grond van de economische en organisatorische eenheid en personele unie binnen het concern. Verzoekers tot cassatie betoogden dat de enquête zich uitsluitend op de moeder mocht richten en dat de dochtervennootschappen ten onrechte als verweersters waren aangemerkt.
De Hoge Raad oordeelt dat het enquêterecht zich primair richt op de rechtspersoon die in het verzoek is aangeduid en dat een onderzoek bij dochtervennootschappen alleen onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan worden toegestaan. Omdat in deze zaak geen gegronde redenen zijn gesteld of gebleken om aan het beleid van de dochtervennootschappen te twijfelen, vernietigt de Hoge Raad het gedeelte van de beschikking dat het onderzoek naar de dochters gelast.
Daarnaast bevestigt de Hoge Raad dat het verzoek terecht tegen de moeder is ingesteld en niet tegen de curatoren, aangezien het enquêteverzoek geen betrekking heeft op boedelrechten. De Hoge Raad onderschrijft voorts de ruime beoordelingsmarge van de Ondernemingskamer bij de vraag of gegronde redenen bestaan om aan het beleid van de moeder te twijfelen, gelet op onder meer onjuiste informatieverstrekking en mogelijke schendingen van wettelijke bepalingen en beursregels.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het onderzoek naar de dochtervennootschappen en bevestigt het onderzoek naar de moedermaatschappij Landis.