ECLI:NL:HR:2005:AR8899
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- P.C. Kop
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid aandeelhouders moedermaatschappij tot enquêterecht over dochtervennootschappen
In deze zaak heeft de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) samen met anderen een verzoek ingediend bij de ondernemingskamer tot het benoemen van deskundigen voor een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Landis Group N.V. en haar 100% dochtervennootschappen over de periode van 1998 tot 2002. De ondernemingskamer heeft dit verzoek toegewezen en geoordeeld dat VEB als aandeelhouders van de moedermaatschappij ook bevoegd waren het onderzoek te richten op de dochtervennootschappen, omdat deze samen met de moeder een economische en organisatorische eenheid vormden met vrijwel volledige personele unie in de besturen.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat het enquêterecht volgens de wet en wetsgeschiedenis limitatief is toegekend, maar dat de economische werkelijkheid bepalend is voor de bevoegdheid. De Hoge Raad verwijst naar eerdere adviezen van de SER en memorie van toelichting waarin ruimte wordt gelaten voor een 'bevoegdheidsdoorbraak' in concernverband, zodat aandeelhouders van de moedermaatschappij ook een enquête kunnen verzoeken over de dochtermaatschappijen indien sprake is van een nauwe verwevenheid.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de verzoekers en bevestigt dat de ondernemingskamer terecht heeft geoordeeld dat VEB bevoegd was het verzoek in te dienen. Tevens wordt geoordeeld dat het niet vermelden van curatoren als belanghebbenden in het verzoekschrift niet tot niet-ontvankelijkheid leidt. De Hoge Raad veroordeelt de verzoekers in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat aandeelhouders van de moedermaatschappij bevoegd zijn een enquêteverzoek in te dienen over 100% dochtervennootschappen en wijst het cassatieberoep af.