ECLI:NL:PHR:2005:AS3538
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling plaats van onttrekking voor heffing omzetbelasting bij extern communautair douanevervoer
In deze zaken staat centraal of Nederland bevoegd is omzetbelasting te heffen over personenauto's die onder extern communautair douanevervoer vielen en waarvan onduidelijk is waar de onttrekking aan de douaneregeling heeft plaatsgevonden.
De feiten betreffen drie zaken waarin X B.V. aangiften deed voor extern communautair douanevervoer van Toyota-auto's bestemd voor Polen. De auto's zijn niet aangetroffen bij het kantoor van bestemming en er is discussie over de plaats van onttrekking. Het Hof oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond dat de auto's in Nederland waren onttrokken en dat de bewijslast bij de inspecteur lag.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in en betoogde dat bij onbekende plaats van onttrekking de fictieregeling van artikel 378 TCDW Pro en artikel 34 lid 3 van Pro Verordening 2726/90 van toepassing is, waardoor Nederland als lidstaat van vertrek omzetbelasting kan heffen. De Hoge Raad bevestigt dat bij onbekende plaats van onttrekking deze fictie geldt en dat de bewijslastverdeling in de eerste zaken onjuist was, maar verklaart het beroep in de derde zaak ongegrond omdat daar wel aanwijzingen waren dat de onttrekking niet in Nederland plaatsvond.
De conclusie is dat heffing van omzetbelasting in Nederland mogelijk is indien niet kan worden vastgesteld waar de onttrekking plaatsvond en de fictie van de genoemde bepalingen van toepassing is, maar niet indien aannemelijk is dat de onttrekking elders plaatsvond.
Uitkomst: In zaken 38.528 en 38.530 wordt het beroep gegrond verklaard en het arrest van het Hof vernietigd; in zaak 38.529 wordt het beroep ongegrond verklaard.