ECLI:NL:PHR:2005:AS3581
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kapitaalsbelasting bij zetelverplaatsing van Antilliaanse vennootschap naar Nederland
Belanghebbende, een vennootschap opgericht naar Antilliaans recht, verplaatste haar feitelijke leiding van Nederland naar de Nederlandse Antillen en later terug naar Nederland. Het geschil betrof de vraag of zij kapitaalsbelasting verschuldigd was bij deze terugkeer op grond van artikel 34, onderdeel e, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat het zich vestigen in Nederland een belastbaar feit vormt, tenzij het lichaam onmiddellijk voorafgaand in een EU-lidstaat was gevestigd. De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en wijst dat eerdere vestiging in de EU niet tot vrijstelling leidt. Ook is er geen sprake van ongeoorloofde discriminatie tussen Antilliaanse en Nederlandse vennootschappen, omdat zij niet in gelijke omstandigheden verkeren.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de vrijheid van vestiging van het EG-Verdrag niet van toepassing is op Antilliaanse vennootschappen, aangezien de Nederlandse Antillen tot derde landen behoren. De vrijheid van kapitaalverkeer is wel van toepassing, maar beperkingen die reeds bestonden per 31 december 1993 mogen gehandhaafd worden. De belastingheffing bij terugkeer is daarmee niet in strijd met EU-recht.
Ten slotte concludeert de Hoge Raad tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep van belanghebbende en bevestigt de heffing van kapitaalsbelasting bij haar vestiging in Nederland.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat belanghebbende kapitaalsbelasting verschuldigd is bij haar vestiging in Nederland en wijst het cassatieberoep af.