ECLI:NL:PHR:2005:AT3442
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitleg Leegstandswet bij tijdelijke huur en vernieuwbouw
In deze zaak stond centraal de tijdelijke verhuur van een woning door Woningbouwvereniging Het Oosten aan eiseres op grond van de Leegstandswet. De huurovereenkomst voorzag in opzegging na zes maanden en beëindiging bij het verlopen van de vergunning. Na een eerste opzegging trok Het Oosten deze in en verlengde de overeenkomst schriftelijk. Later volgde een tweede opzegging, die eiseres niet accepteerde, waarna Het Oosten haar in kort geding tot ontruiming dagvaardde.
Het hof bevestigde de opzegging en oordeelde dat Het Oosten gerechtigd was tot beëindiging wegens voorgenomen vernieuwbouw, die ingrijpende verbouwingen omvatte zoals nieuwe verwarming, ventilatie en renovatie. Eiseres stelde in cassatie onder meer dat de uitleg van het begrip vernieuwbouw te ruim was en dat de opzegging niet rechtsgeldig was ingetrokken.
De Hoge Raad oordeelde dat de uitleg van het hof over de voortzetting van de huurovereenkomst na intrekking van de opzegging feitelijk en begrijpelijk was en niet op juistheid in cassatie kon worden onderzocht. Tevens bevestigde de Hoge Raad dat vernieuwbouw ingrijpende werkzaamheden betreft die niet noodzakelijkerwijs tot beëindiging van de huur hoeven te leiden, maar wel een legitieme grond vormen voor tijdelijke verhuur onder de Leegstandswet. Ook werd bevestigd dat de beoordeling van spoedeisend belang in kort geding feitelijk is en dat het hof binnen zijn beoordelingsmarge bleef.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, waarmee de beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.