ECLI:NL:PHR:2005:AT6371
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid weigering bijzonder melkquotum ondanks investeringsverplichtingen vóór 1 september 1981
In deze zaak staat de toekenning van een bijzonder melkquotum aan een melkveehouder centraal die investeringsverplichtingen is aangegaan onder ontbindende voorwaarden vóór 1 september 1981. De melkveehouder had een aanvraag gedaan op grond van art. 11 van Pro de Beschikking superheffing, maar deze werd geweigerd omdat de investeringsverplichtingen volgens het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) en het Hof na 1 september 1981 zouden zijn aangegaan.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en stelde vast dat investeringsverplichtingen onder een ontbindende voorwaarde reeds bij het aangaan daarvan voor de rechter afdwingbaar zijn, ook al wordt de voorwaarde later vervuld. Dit betekent dat de investeringsverplichtingen in casu vóór 1 september 1981 zijn aangegaan. Het Hof Amsterdam heeft na verwijzing de vordering afgewezen, stellende dat de investeringsverplichtingen voor de rechter afdwingbaar waren en dat de latere investeringen niet los gezien kunnen worden van de eerdere.
De Hoge Raad overweegt verder dat de burgerlijke rechter het geschil zelfstandig beoordeelt en niet gebonden is aan het oordeel van het CBB, maar dat het geschil wel op het dossier van het CBB kan worden gebaseerd. Daarnaast wordt ingegaan op de verhouding tot het Europees recht en het arrest Spronk van het HvJ EG, waarbij wordt bevestigd dat lidstaten een discretionaire bevoegdheid hebben bij toekenning van melkquota, mits zij rekening houden met discriminatieverboden en het doel van de regeling.
De Hoge Raad wijst klachten over bewijsaanbod en motivering af en benadrukt dat onvoldoende gespecificeerde stellingen niet kunnen leiden tot een ander oordeel. De conclusie is dat de weigering van het bijzonder melkquotum rechtmatig is en dat de investeringsverplichtingen vóór 1 september 1981 zijn aangegaan, waardoor geen aanspraak op het melkquotum bestaat.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de investeringsverplichtingen vóór 1 september 1981 zijn aangegaan en verklaart de weigering van een bijzonder melkquotum rechtmatig.