ECLI:NL:HR:2002:AD9615
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- J.B. Fleers
- H.A.M. Aaftink
- D.H. Beukenhorst
- P.C. Kop
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Verjaring van schadevordering tegen de Staat wegens onrechtmatige bestuursrechtelijke besluitvorming
Eisers, die een melkveehouderijbedrijf exploiteren, vorderden schadevergoeding van de Staat wegens onrechtmatige handelswijze in het bestuursproces rond een besluit over superheffing melk. Na afwijzing door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) en overschrijding van de redelijke termijn in de procedure, stelden zij de Staat aansprakelijk.
De rechtbank wees de vordering af, en het hof bekrachtigde dit oordeel mede op grond van verjaring volgens de Wet van 31 oktober 1924. Eisers betoogden dat de verjaring niet was ingetreden omdat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) pas in 1994 oordeelde dat het CBB niet als een onafhankelijk tribunaal kon worden beschouwd.
De Hoge Raad bevestigde dat de verjaringstermijn aanving na de uitspraak van het CBB in 1987 en was voltooid in 1993. Het feit dat het EHRM later oordeelde, bracht niet mee dat de eisers hun vordering eerder hadden kunnen instellen. Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid faalde omdat eisers pas in 1995 de Staat aansprakelijk stelden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde eisers in de kosten van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de schadevordering van eisers tegen de Staat verjaard is en wijst het beroep af.