ECLI:NL:PHR:2006:AR5754
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederland tot heffing over liquidatie-uitkeringen na emigratie aandeelhouder en verplaatsing werkelijke leiding
De zaak betreft de vraag of Nederland bevoegd is inkomstenbelasting te heffen over liquidatie-uitkeringen die een natuurlijk persoon ontving van een Nederlandse besloten vennootschap (BV) waarvan de werkelijke leiding naar België was verplaatst.
Belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van de vennootschap, was in 1996 naar België verhuisd. De vennootschap werd in dat jaar ontbonden en betaalde in 1996 en 1997 liquidatie-uitkeringen aan belanghebbende. De inspecteur rekende deze uitkeringen tot het binnenlandse inkomen en hief belasting tegen het verdragstarief van 15%. Het hof oordeelde dat het materiële liquidatiebesluit was genomen toen de vennootschap nog in Nederland was gevestigd en dat de latere verplaatsing van de leiding geen fiscale gevolgen had. Het hof paste het leerstuk van fraus conventionis toe om belastingontwijking tegen te gaan.
De Hoge Raad stelt dat het hof onduidelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld over het tijdstip van verplaatsing van de werkelijke leiding en de fiscale gevolgen daarvan. De Hoge Raad oordeelt dat het leerstuk van fraus conventionis niet zonder meer toepasbaar is en dat het verdrag duidelijk voorziet in de heffingsbevoegdheid afhankelijk van de feitelijke vestiging van de vennootschap. De zaak wordt verwezen naar een ander gerechtshof voor nadere beoordeling van het tijdstip van verplaatsing van de werkelijke leiding en de toepasselijkheid van het verdrag.
De conclusie bevat een uitgebreide beschouwing over de nationale wetgeving, de toepassing van het belastingverdrag Nederland-België, de kwalificatie van liquidatie-uitkeringen als dividend, en de voorwaarden voor toepassing van het leerstuk fraus conventionis. Tevens wordt ingegaan op relevante jurisprudentie en de verhouding tot Europees recht en OESO-commentaar.
De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug, waarbij wordt benadrukt dat Nederland slechts kan heffen indien de werkelijke leiding van de vennootschap op het moment van de uitkering nog in Nederland was gevestigd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar een ander gerechtshof voor nadere beoordeling van de heffingsbevoegdheid over liquidatie-uitkeringen na verplaatsing van de werkelijke leiding.