ECLI:NL:PHR:2006:AR5761
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over heffing van inkomstenbelasting op liquidatie-uitkeringen bij emigratie van vennootschappen
Belanghebbenden, aandeelhouders en bestuurders van twee vennootschappen, emigreerden in 1996 naar België. De vennootschappen werden kort daarna ontbonden en liquidatie-uitkeringen aan hen uitgekeerd. De Inspecteur rekende deze uitkeringen tot het Nederlandse belastbare inkomen, met toepassing van het belastingverdrag Nederland-België dat een bronheffing van 15% toestaat.
Het hof oordeelde dat het materiële besluit tot liquidatie was genomen toen de vennootschappen nog in Nederland gevestigd waren en dat de latere verhuizing naar België geen fiscale gevolgen had voor de liquidatie-uitkeringen. Het hof paste het leerstuk van fraus conventionis toe om de Nederlandse heffingsbevoegdheid te handhaven.
De Hoge Raad stelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat de latere verhuizing geen fiscale gevolgen heeft en dat de toepassing van het leerstuk van fraus conventionis niet overtuigt. De Hoge Raad benadrukt dat het belastingverdrag pas van toepassing is op het moment van betaling van de uitkering, toen de vennootschappen reeds in België gevestigd waren, waardoor Nederland zijn heffingsbevoegdheid verliest.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar een ander gerechtshof voor nadere beoordeling van het moment van verplaatsing van de feitelijke leiding van de vennootschappen. Tevens bespreekt de conclusie uitgebreid het leerstuk van fraus conventionis, de toepassing van het belastingverdrag en de nationale wetgeving omtrent liquidatie-uitkeringen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van de verplaatsing van de feitelijke leiding van de vennootschappen.