ECLI:NL:PHR:2006:AT8198
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingvrije som en progressievoorbehoud bij grensoverschrijdende belastingheffing Nederland-België
De zaak betreft een Nederlandse ambtenaar die sinds 1998 in België woont en in 1999 inkomsten uit loon en rente uit Nederland geniet. Nederland belast het loon en de rente volgens het belastingverdrag met België, waarbij rente maximaal tegen 10% wordt belast. Het Hof oordeelde dat Nederland de belastingvrije som evenredig aan de rente moest toerekenen tegen het gemiddelde tarief om verlies van fiscale voordelen te voorkomen, wat strijdig zou zijn met het EG-recht.
De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad overweegt dat de belanghebbende volgens het verdrag inwoner van België is en dat Nederland als bronstaat de rente mag belasten tegen een maximaal tarief van 10% over het brutobedrag. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat Nederland de belastingvrije som tegen een gemiddeld tarief aan de rente moet toerekenen.
Verder overweegt de Hoge Raad dat de belanghebbende niet in een Schumacker-situatie verkeert, waarbij de woonstaat geen rekening houdt met persoonlijke aftrekposten. De toepassing van het progressievoorbehoud door Nederland is gerechtvaardigd en leidt niet tot een onrechtmatige belemmering van het vrije werknemersverkeer. Het incidentele beroep van de belanghebbende over het vertrouwensbeginsel wordt ongegrond verklaard omdat daarvoor onvoldoende feiten zijn gesteld.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bevestigt dat Nederland het belastingverdrag correct toepast door de rente maximaal tegen 10% te belasten zonder verdere toerekening van de belastingvrije som tegen het gemiddelde tarief.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bevestigt dat Nederland de rente maximaal tegen 10% mag belasten zonder toerekening van de belastingvrije som tegen het gemiddelde tarief.