ECLI:NL:PHR:2006:AU3116
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid verontreinigingsheffing en afhakersubsidies onder Wet verontreiniging oppervlaktewateren
De zaak betreft de rechtmatigheid van een aanslag verontreinigingsheffing 2001 opgelegd door het Waterschap Reest en Wieden aan belanghebbende. Centraal staat de vraag of de in 2000 verstrekte privaatrechtelijke afhakersubsidies, die in de begroting 2001 zijn verwerkt en via de heffing worden gefinancierd, rechtmatig zijn en of de heffing deel uitmaakt van een niet aangemelde staatssteunmaatregel in de zin van artikel 88, derde lid, EG.
Het Hof stelde vast dat de Verordening en begroting materieel rechtsgeldig zijn en dat de tarieven niet willekeurig zijn vastgesteld. Het Hof verwierp het beroep van belanghebbende dat de subsidieverlening in strijd is met Europese regelgeving, omdat de heffing rechtmatig is opgelegd. In cassatie werd overwogen dat de afhakersubsidies als kosten van maatregelen tot het tegengaan van waterverontreiniging kunnen worden aangemerkt en derhalve uit de heffing mogen worden gefinancierd.
De Hoge Raad benadrukt dat het dwingende bestemmingsverband vereist is om de heffing als integrerend onderdeel van een steunmaatregel aan te merken. Dit verband ontbreekt hier omdat de subsidie discretionair wordt toegekend en de omvang ervan niet rechtstreeks afhankelijk is van de heffingsopbrengst. Het beroep op de rechtstreekse werking van het uitvoeringsverbod van artikel 88, derde lid, EG faalt daarom. De heffing is niet onrechtmatig en het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslag verontreinigingsheffing 2001 wordt bevestigd als rechtmatig.