1 De voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/P.
2 Hierna wordt met de term partner steeds bedoeld partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet. Met de term partnerschap wordt hiernaar ook verwezen.
3 Met rolnummer 03/03894, LJN AO6935. De uitspraak is gepubliceerd in V-N 2004/48.1.1 (zonder noot) en (verkort) in NTFR 2004/882 met commentaar van N.M. Ligthart.
4 Noot CvB: zie de tekst hiervan in onderdeel 2.7 van deze conclusie.
5 Niet-ingezetenen kunnen, indien recht bestaat op de verhoogde heffingskorting van artikel 8.9 van de Wet, nog een bijzondere verhoging van de heffingskorting krijgen op de voet van artikel 8.9a van de Wet.
6 MvT, Kamerstukken II 1998-1999, 26 727, nr. 3, blz. 74.
7 NV, Kamerstukken II 1999-2000, 26 727, nr. 7, blz. 111.
8 NvW, Kamerstukken II 1999-2000, 26 727, nr. 18, blz. 25.
9 Tegen deze uitspraak is geen beroep in cassatie ingesteld.
10 Zie ook het commentaar van de redactie van Vakstudienieuws in V-N 2003/4.11 bij het Besluit. Anders: Cursus Belastingrecht, Inkomstenbelasting, afdeling 2.4.3.B.e, suppl. 332 (januari 2002). Hierin wordt er vanuit gegaan dat artikel 1.3, lid 4, van de Wet zowel ziet op het kiezen voor partnerschap als op het niet kiezen voor partnerschap.
11 Voor de overdracht van de basisaftrek in de artikelen 55 en 56 van de Wet IB 1964 werd de keuze alleen uitgebracht in de aangifte van degene aan wie de basisaftrek werd overgedragen.
12 CvB: in paragraaf 3.1 van dit besluit is bepaald: "Indien wegens het te laat indienen van een bezwaarschrift of een in de wet voorzien verzoekschrift dan wel om andere reden van formele aard de reclamant of de verzoeker niet ontvankelijk is in zijn bezwaar of verzoek, verleent de inspecteur bij de uitspraak waarin de niet-ontvankelijkheid wordt uitgesproken, ambtshalve de vermindering of teruggaaf (...). Het vorenstaande vindt niet alleen toepassing in situaties waarin een te hoge aanslag is opgelegd, maar ook in gevallen waarin de belasting op het wettelijk juiste bedrag is vastgesteld, maar waarin een verzoek - zo dat verzoek zou zijn gedaan op het in de wet voorgeschreven moment of binnen de in de wet voorgeschreven termijn - tot vermindering of teruggaaf van belasting zou hebben geleid."
13 MvT, Kamerstukken II 1998-1999, 26 727, nr. 3, blz. 88; in de Memorie is het artikel nog aangeduid als artikel 2.4.4.
14 Bij de elektronische aangifte zal dit mogelijk in mindere mate een probleem vormen, omdat daarbij de aangiften gezamenlijk kunnen worden gedaan.
15 J.P. Scheltens, Algemene wet inzake Rijksbelastingen, Gouda Quint Arnhem, suppl. 5, december 1969, blz. 276d, L.A. de Blieck, c.s., Algemene wet inzake rijksbelastingen, fed fiscale studieserie nr. 5, 7e druk, Kluwer Deventer 2004, blz. 75-76, A.J. van Soest, Belastingen, 22e druk, Gouda Quint BV Arnhem 2004, blz. 54. Zie ook HR 11 oktober 1972, nr. 16 873, BNB 1972/239 en A-G Van Soest in onderdeel H van zijn conclusie voor het arrest van de Hoge Raad van 23 juni 1982, nr. 20 783, BNB 1982/239.
16 De vraag speelt in gelijke zin indien in de beroepsfase wordt verzocht om keuzeherziening. Uiteraard kunnen de inspecteur en belastingplichtigen met elkaar overeenkomen dat een keuze kan worden herzien onder de voorwaarde dat de inspecteur mag navorderen.
17 Vergelijk J. van Soest, Vrijheid in het Belastingrecht, openbare les, N.V. FED Amsterdam 1961, blz. 31: "Naar het mij voorkomt, zou het redelijk zijn om in dit geval het terugkomen op de wilsverklaring toe te laten, als het verschoonbaar is, dat de belastingplichtige zijn keus niet eerder bepaalde zoals hij thans blijkt te doen. De wijziging zelf dient dan te fungeren als nieuw feit."
18 De tekst van artikel 2.17, leden 3 en 4, van de Wet is gewijzigd met ingang van 1 januari 2005 (Wijziging van belastingwetten in verband met noodzakelijk onderhoud (Fiscale onderhoudswet 2004, Stb. 2004, 657)). Toen is de tekst van lid 3 verplaatst naar lid 4 en vice versa. Voor zover ik heb kunnen nagaan is de tekst van artikel 16, lid 2, onderdeel b, van de Awr, die verwijst naar artikel 2.17, lid 4, aanhef en onder 1°, van de Wet, echter (ten onrechte) ongewijzigd gebleven.