ECLI:NL:PHR:2006:AU7741
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toerekening opzet adviseur aan belastingplichtige bij vergrijpboete
De zaak betreft een belastingplichtige die een vergrijpboete kreeg opgelegd wegens een onjuiste aangifte inkomstenbelasting 1999, waarbij een vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang niet was aangegeven. De boete werd opgelegd omdat het hof oordeelde dat de opzet van de gemachtigde adviseur aan de belastingplichtige kon worden toegerekend, aangezien de adviseur willens en wetens de aanmerkelijke kans had aanvaard dat de aangifte onjuist was.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de juridische kaders rond opzet en toerekening van opzet van een adviseur aan de belastingplichtige. Hij benadrukt dat opzet een persoonlijk element is dat door de inspecteur moet worden bewezen en dat de huidige jurisprudentie die toerekening toestaat, waarbij de belastingplichtige het tegenbewijs moet leveren, niet juist is. De Hoge Raad verwijst naar het strafrechtelijke uitgangspunt dat opzet niet zonder meer kan worden toegerekend aan een ander en dat gedragingen wel, maar opzet niet, aan een functionele pleger kunnen worden toegerekend.
Daarnaast wordt de verhouding tot het EVRM-artikel 6 besproken Pro, waarbij wordt geconcludeerd dat de bewijslastverdeling in de fiscale boeterechtspraak de grenzen van redelijkheid overschrijdt. De Hoge Raad stelt dat de inspecteur de opzet van de belastingplichtige zelf moet bewijzen en dat de toerekening van opzet van de adviseur aan de belastingplichtige niet toelaatbaar is.
De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor een nieuwe beoordeling van de vraag of de belastingplichtige zelf opzet had. Tevens wordt het oordeel van het hof dat sprake was van opzet bij de belastingplichtige verworpen wegens onvoldoende motivering en onvoldoende onderbouwing van het ernstige karakter van het geval.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofarrest en verwijst zaak terug voor onderzoek naar opzet bij belastingplichtige zelf.