ECLI:NL:PHR:2006:AU8283
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens overschrijding redelijke termijn bij verstekmededeling in meineedzaak
De zaak betreft een veroordeling tot drie maanden gevangenisstraf wegens meineed gepleegd op 6 juni 1991. Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter, maar het arrest werd bij verstek gewezen op 7 juni 1993. De verstekmededeling werd pas op 21 april 2005 persoonlijk aan de verdachte betekend, terwijl deze sinds 16 februari 1998 onafgebroken in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) was ingeschreven.
De Hoge Raad oordeelt dat het Openbaar Ministerie (OM) niet de nodige voortvarendheid heeft betracht bij de betekening van de verstekmededeling, waardoor sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn ex art. 6 EVRM Pro. De vertraging van ruim zeven jaar tussen de inschrijving in de GBA en de betekening is aan het OM toe te rekenen. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin bij dergelijke overschrijdingen niet-ontvankelijkheid werd uitgesproken.
Gelet op de ernst van het feit, de verjaringstermijn van twaalf jaar en de lange vertraging, weegt het belang van de verdachte bij verval van het recht tot strafvervolging zwaarder dan het belang van de gemeenschap bij normhandhaving. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verklaart het OM niet-ontvankelijk in de vervolging.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de betekening van de verstekmededeling.