ECLI:NL:HR:2001:ZD2099
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt overschrijding redelijke termijn zonder rechtsgevolg in strafzaak bedreiging
In deze strafzaak werd de verdachte veroordeeld bij verstek door het Gerechtshof Amsterdam voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven. De uitspraak dateert van 29 november 1996, maar de mededeling van deze verstekuitspraak aan de verdachte vond pas op 19 oktober 1999 plaats.
De Hoge Raad onderzocht of deze vertraging in betekening van de verstekuitspraak een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting opleverde, zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro en het Wetboek van Strafvordering. Uit de processtukken bleek dat het Openbaar Ministerie meerdere pogingen had gedaan om de uitspraak aan de verdachte te betekenen, maar deze werd niet bereikt. Pas na opname in het opsporingsregister werd de mededeling aan de verdachte persoonlijk gedaan.
De Hoge Raad oordeelde dat de vertraging tot opname in het opsporingsregister niet aan het Openbaar Ministerie kon worden toegerekend en dus geen overschrijding van de redelijke termijn opleverde. De vertraging daarna wel, maar gezien de ernst van de zaak en de mate van overschrijding werd hieraan geen rechtsgevolg verbonden. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks overschrijding van de redelijke termijn zonder strafvermindering.