ECLI:NL:PHR:2006:AW3043
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep en cassatie over vergoeding verbouwingskosten en hypotheekaflossingen bij huwelijksvoorwaarden zonder gemeenschap van goederen
De man en vrouw zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden zonder gemeenschap van goederen. De vrouw kocht in 1975 een onroerende zaak met hypothecaire lening. De man betaalde uit eigen middelen aflossingen en verbouwingskosten van deze zaak en vordert vergoeding daarvan van de vrouw. De rechtbank wees een deel van de vordering toe, het hof vernietigde het tussenvonnis en wees een groter bedrag toe, maar ging niet in op het verweer van de vrouw dat de man de uitgaven zonder overleg deed en dat hij er voordeel van had.
De vrouw stelde in cassatie dat het hof had moeten beslissen over dit verweer, mede gelet op de redelijkheid en billijkheid en het vervalbeding in de huwelijkse voorwaarden. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit verweer had moeten onderzoeken en dat het arrest daarom niet in stand kon blijven. Tevens werd besproken of de betalingen van de man een natuurlijke verbintenis vormden, waarbij het hof concludeerde van niet vanwege de omstandigheden waaronder partijen huwden en de vermogenspositie van de vrouw.
De Hoge Raad bevestigde de maatstaf voor natuurlijke verbintenis en oordeelde dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd. De zaak werd vernietigd en verwezen voor nader onderzoek naar het niet-besliste verweer van de vrouw.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor nader onderzoek naar het niet-besliste verweer van de vrouw.