ECLI:NL:PHR:2006:AW3062
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid onteigeningsbesluit en zekerheidsstelling bij vervroegde onteigening
Deze zaak betreft een geschil tussen een kwekerij en de gemeente over de rechtmatigheid van een onteigeningsbesluit ter uitvoering van een onherroepelijk bestemmingsplan. De gemeente besloot een deel van het perceel van eiser te onteigenen, wat leidde tot discussie over de noodzaak en rechtmatigheid van dit besluit, mede vanwege mededelingen van gemeenteraadsleden die door eiser werden gezien als toezeggingen tot aankoop van het gehele perceel.
De rechtbank oordeelde dat deze mededelingen slechts intentieverklaringen waren en geen onvoorwaardelijke toezeggingen, waardoor het vertrouwensbeginsel niet van toepassing was. Ook werd geoordeeld dat de gemeente niet verplicht was het gehele perceel aan te kopen en dat de onteigening noodzakelijk was. Verder werd vastgesteld dat de gemeente geen zekerheidstelling hoefde te bieden, hetgeen later onjuist bleek.
In cassatie werd bevestigd dat de rechter bij toetsing van de rechtmatigheid van het onteigeningsbesluit moet beoordelen of het besluit in redelijkheid genomen kon worden, inclusief de beoordeling van gewekte verwachtingen. Intentieverklaringen binden de overheid niet zonder meer. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte geen zekerheidstelling had opgelegd, maar het cassatieberoep werd verder verworpen met compensatie van proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen met compensatie van proceskosten; de rechtbank had onjuist geen zekerheidstelling opgelegd.