ECLI:NL:PHR:2006:AY8309
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzetstermijn faillissementsverklaring en toepassing artikel 8 lid 2 Faillissementswet
De zaak betreft een geschil tussen een failliet en de ontvanger van de Belastingdienst over het tijdstip van aanvang van de verzetstermijn tegen een faillissementsverklaring. De rechtbank verklaarde de verzoeker op 22 februari 2006 failliet. De verzoeker werd al op 23 februari 2006 door een kantoorgenoot van de curator geïnformeerd over het faillissement en de mogelijkheid tot verzet.
De verzoeker diende op 9 maart 2006 verzet in tegen de faillissementsverklaring, maar dit werd door de rechtbank en het gerechtshof niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke verzettermijn die op 8 maart 2006 eindigde. De verzoeker stelde dat hij pas na het verstrijken van de termijn een kopie van het vonnis had ontvangen en dat zijn detentie communicatie met zijn raadsman belemmerde.
De Hoge Raad oordeelt dat de verzettermijn volgens artikel 8 lid 2 Faillissementswet Pro begint te lopen op de dag na de uitspraak van het faillissementsvonnis, ongeacht wanneer de failliet het vonnis ontvangt. De omstandigheden die verzoeker aanvoert, waaronder de detentie en late ontvangst van het vonnis, bieden geen grond voor een uitzondering. Ook is geen sprake van een fout of verzuim van de griffie die verzoeker heeft verhinderd tijdig verzet in te stellen.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt daarmee de strikte toepassing van de verzettermijn en de niet-ontvankelijkheid van het verzet.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzetschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de verzettermijn.