ECLI:NL:HR:1999:ZC2900
Hoge Raad
- Cassatie
- Korthals Altes
- Van der Putt-Lauwers
- Fleers
- Royer
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring in cassatie wegens overschrijding termijn beroep faillissementsopheffing
Verzoeker heeft bij de Rechtbank Almelo verzocht om opheffing van zijn faillissement en toepassing van de schuldsaneringsregeling, wat op 17 juni 1998 werd uitgesproken. Dit verzoek werd bij vonnis van 6 januari 1999 afgewezen. Verzoeker stelde hiertegen hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem, dat hem bij arrest van 28 januari 1999 niet-ontvankelijk verklaarde in dat hoger beroep.
Tegen dit arrest stelde verzoeker beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Procureur-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker wegens overschrijding van de cassatietermijn. Verzoeker reageerde hierop, maar de Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet tijdig was ingediend, aangezien de cassatietermijn van acht dagen na het arrest van het hof op 5 februari 1999 verstreek, terwijl het cassatieberoep pas op 9 februari 1999 werd ingediend.
De Hoge Raad stelde vast dat het feit dat het arrest van het hof verzoeker pas op 8 februari 1999 schriftelijk bekend werd, niet tot een verlenging van de cassatietermijn leidt. Daarom verklaarde de Hoge Raad verzoeker niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep en wees het beroep af.
Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens overschrijding van de cassatietermijn.