ECLI:NL:HR:1999:ZC2900

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 mei 1999
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
R99/023HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Korthals Altes
  • Van der Putt-Lauwers
  • Fleers
  • Royer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15c Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring in cassatie wegens overschrijding termijn beroep faillissementsopheffing

Verzoeker heeft bij de Rechtbank Almelo verzocht om opheffing van zijn faillissement en toepassing van de schuldsaneringsregeling, wat op 17 juni 1998 werd uitgesproken. Dit verzoek werd bij vonnis van 6 januari 1999 afgewezen. Verzoeker stelde hiertegen hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem, dat hem bij arrest van 28 januari 1999 niet-ontvankelijk verklaarde in dat hoger beroep.

Tegen dit arrest stelde verzoeker beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Procureur-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker wegens overschrijding van de cassatietermijn. Verzoeker reageerde hierop, maar de Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet tijdig was ingediend, aangezien de cassatietermijn van acht dagen na het arrest van het hof op 5 februari 1999 verstreek, terwijl het cassatieberoep pas op 9 februari 1999 werd ingediend.

De Hoge Raad stelde vast dat het feit dat het arrest van het hof verzoeker pas op 8 februari 1999 schriftelijk bekend werd, niet tot een verlenging van de cassatietermijn leidt. Daarom verklaarde de Hoge Raad verzoeker niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep en wees het beroep af.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens overschrijding van de cassatietermijn.

Uitspraak

7 mei 1999
Eerste Kamer
Rek.nr. R99/023HR
CS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr B.F.F. Gosschalk-Davidson.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een begin december 1998 ter griffie van de Rechtbank te Almelo ingediend verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht zijn op 17 juni 1998 uitgesproken faillissement op te heffen, onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Na een mondelinge behandeling van het verzoek ter terechtzitting van 15 december 1998 heeft de Rechtbank bij vonnis van 6 januari 1999 het verzoek afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.
Bij arrest van 28 januari 1999 heeft het Hof [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [Verzoeker] heeft zijn beroep schriftelijk doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn verzoek.
De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 16 april 1999 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Tegen de op 28 januari 1999 ter openbare terechtzitting door het Hof gedane uitspraak, waarbij [verzoeker] niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn hoger beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek tot opheffing van zijn faillissement en tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, stond ingevolge art. 15c F.gedurende acht dagen na die uitspraak beroep in cassatie open. De cassatietermijn verstreek dus op 5 februari 1999, zodat het op 9 februari 1999 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen cassatierekest niet tijdig is ingediend. Dit leidt tot het oordeel dat [verzoeker] niet- ontvankelijk is in zijn beroep. De omstandigheid dat de uitspraak van het Hof voor [verzoeker] eerst op 8 februari 1999 kenbaar was - naar de Hoge Raad begrijpt: in schriftelijke vorm - kan daaraan niet afdoen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren Korthals Altes, als voorzitter, Van der Putt-Lauwers en Fleers, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Royer op 7 mei 1999.