ECLI:NL:PHR:2006:AZ0757
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Arbeidsongeschiktheidsverzekering en herkenbaarheid ziektebeeld bij fibromyalgie en CVS
De zaak betreft een geschil tussen een verzekerde en verzekeraar over de dekking van een arbeidsongeschiktheidsverzekering na het eerste ziektejaar. De verzekerde, werkzaam in een eigen bedrijf, werd ziek in 1994 en ontving een uitkering gedurende het eerste ziektejaar. Na die periode stelde de verzekeraar de uitkering stop vanwege het ontbreken van een medisch objectief vast te stellen ziektebeeld.
Diverse medisch deskundigen rapporteerden over de klachten van de verzekerde, waaronder rugpijn, verhoogde bezinking, chronische vermoeidheid en vermoede diagnoses als fibromyalgie en het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS). De verzekeraar betwistte de medische onderbouwing en stelde dat de klachten onvoldoende medisch objectief waren vast te stellen en dat er sprake was van eigen schuld wegens onvoldoende medewerking aan behandeling.
De rechtbank oordeelde dat ook zonder eenduidige medische diagnose sprake kon zijn van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld en kende de verzekerde de uitkering toe. Het hof vernietigde dit oordeel en stelde dat de rapportages onvoldoende feitelijke onderbouwing boden voor een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld, waarbij ook werd gewezen op het verschil tussen fibromyalgie en CVS. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en wijst het cassatieberoep af, stellende dat het hof voldoende gemotiveerd heeft waarom geen sprake is van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat geen sprake is van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld en wijst de vordering tot uitkering af.