Conclusie
1.Overzicht
BNB1993/240, waarin u oordeelde dat als het gaat om (i) vervanging van een ‘in de bedrijfsuitoefening versleten bedrijfsmiddel’ door (ii) een functioneel zelfde bedrijfsmiddel, (iii) van vrijwel dezelfde omvang als het gesloopte bedrijfsmiddel, de boekwaarde van het te slopen bedrijfsmiddel ineens afgeschreven kan worden.
BNB1993/240 ook na afboeking naar bedrijfswaarde nog voor fl. 7.500 in de boeken stonden, waren zij kennelijk economisch niet versleten toen zij werden gesloopt. Datzelfde geldt voor de litigieuze sloopwoningen, zo heeft de feitenrechter vastgesteld. Toch kwalificeerde u in het Warenhuisarrest in navolging van het Hof de warenhuizen als ‘in de bedrijfsuitoefening versleten’. Dat lijkt niet logisch, want als zij economisch volledig versleten waren, zou de afboeking naar bedrijfswaarde al naar nihil hebben geleid. Wat daarvan zij, uit het Warenhuisarrest volgt dat de resterende verhuurbaarheid (de resterende bedrijfswaarde) van belanghebbendes sloopwoningen op zichzelf niet in de weg hoeft te staan aan afboeking naar nihil, want dat er nog bedrijfswaarde was, stond in het Warenhuisarrest evenmin aan expensen in de weg.
BNB1993/37). Ook dan blijft overigens de ongerijmdheid staan dat de ondernemer dat offer wilde brengen voor zijn bedrijfsvoering, zodat dat offer kennelijk wel degelijk thuishoort in zijn bedrijfswaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel. Wat daarvan zij, niets in het Warenhuisarrest wijst erop dat zijn uitkomst bepaald werd door het eenvoudsbeginsel. Het Warenhuisarrest is daarmee moeilijk te plaatsen. ’s Hofs oordeel houdt dan ook in wezen in dat hij dat arrest beperkt tot de feiten van dat geval, die zich in belanghebbendes geval niet voordoen.
BNB1993/240 uit als een verfijning van de hoofdregel van HR
BNB1993/37 (boekwaarde gesloopt bedrijfsmiddel is onderdeel van de kostprijs van de nieuwe opstal, waarop eventueel afgeboekt kan worden als die kostprijs hoger is dan de bedrijfswaarde van de nieuwe opstal), welke verfijning inhoudt dat als te slopen, economisch versleten bedrijfsmiddelen nog een boekwaarde hebben, er kennelijk te weinig op is afgeschreven in het licht van de voorgenomen sloop en nieuwbouw, zodat die afschrijving gecorrigeerd moet worden om te voorkomen dat die te hoge boekwaarde wordt ‘doorgerold’ naar de kostprijs van het nieuwe bedrijfsmiddel. Die uitleg lijkt mij onjuist. In het Warenhuisarrest stond immers vast dat de ‘versleten’ bedrijfsmiddelen ook na afboeking naar bedrijfswaarde nog een waarde ad fl. 7.500 hadden. Van te lage afschrijving was dus kennelijk geen sprake. Ook in belanghebbendes geval ontbreekt mijns inziens de feitelijke grondslag voor de stelling dat te lage afschrijvingen gecorrigeerd zouden moeten worden. Het Hof heeft immers feitelijk vastgesteld dat de sloopwoningen, hoewel inadequaat naar hedendaagse maatstaven, nog steeds verhuurbaar waren en nog wel degelijk waarde hadden. De te lage afschrijvingen waren al gecorrigeerd in de bezwaarfase: de Inspecteur had immers al een afboeking ad € 10.330.482 naar lagere bedrijfswaarde aanvaard, zodat zich geen onterechte ‘doorrol’ van een onjuiste te hoge waardering voor lijkt te kunnen doen.
outlyerdie, mede gezien de toepassingsproblemen die de toelichting op de middelonderdelen b, c en d illustreert, beter tot zijn feiten beperkt kan blijven.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
NTFR2019/1685) vindt dat de Rechtbank HR
BNB1993/240 vrij restrictief uitlegt en dat het voor de praktijk goed zou zijn als u – mocht het tot cassatie komen – meer duidelijkheid geeft over de reikwijdte van HR
BNB1993/240.
BNB1993/37, [3] HR
BNB1987/151, [4] en HR
BNB1971/108 [5] ) dat als een gebouw wordt opgeofferd voor de stichting van een nieuw gebouw, de boekwaarde of lagere bedrijfswaarde van het gesloopte gebouw tot de kostprijs van het nieuwe gebouw behoort. Het andersluidende arrest HR
BNB1993/240 [6] (Warenhuisarrest) luidt volgens het Hof anders (goed koopmansgebruik noopte niet tot toerekening van de boekwaarde of bedrijfswaarde van de ‘versleten’ warenhuizen (kassen) aan de kostprijs van het nieuwe bedrijfsmiddel) vanwege de specifieke omstandigheden van dat geval. Het is aan de belanghebbende om de feiten en omstandigheden aan te voeren, en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat goed koopmansgebruik in haar geval er evenmin toe zou leiden dat zij, in afwijking van de hoofdregel, de boekwaarde van de gesloopte opstallen ineens ten laste van haar winst 2011 kan brengen en niet tot de kostprijs van de nieuwbouwwoningen hoeft te rekenen.
BNB1993/240, de gesloopte opstallen zijn vervangen door functioneel gelijke bedrijfsmiddelen: de gesloopte sociale huurwoningen zijn vervangen door een mix van sociale huurwoningen, duurdere huurwoningen en koopwoningen en niet aannemelijk is geworden dat de vervangende bedrijfsmiddelen vrijwel dezelfde omvang hebben als de sloopwoningen.
NTFR2021/218) acht ’s Hof uitleg van HR
BNB1993/240 nogal streng voor zover het gaat om de sociale-huurwoningen:
3.Het geding in cassatie
BNB1993/240 die regel heeft verfijnd. Volgens haar hoeft de boekwaarde van het gesloopte bedrijfsmiddel in bepaalde omstandigheden niet geactiveerd te worden, maar mag die ten laste van de winst worden gebracht, namelijk als daarzonder te lage afschrijvingen in het verleden niet meer gecorrigeerd kunnen worden.
BNB2007/299 [7] (grondwaardestijging hoeft niet bij de restwaardebepaling voor opstal-afschrijvingsdoeleinden betrokken te worden als die stijging bij het einde van de opstalgebruiksduur niet gerealiseerd zal worden omdat de grond ook na dat einde dienstbaar zal blijven aan de onderneming, zoals in casu), ook van toepassing is in gevallen zoals dat van haar.
- i) Het Hof heeft ten onrechte uit HR
- ii) Zo HR
- iii) Als het Hof HR
- iv) ’s Hofs oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de gesloopte woningen geen waarde hadden omdat zij versleten waren, laat onverlet dat hun boekwaarde deels mag worden afgewaardeerd indien en voor zover de restwaarde van die woningen lager is dan hun boekwaarde; aan ’s Hofs uitspraak kleeft in zoverre een motiveringsgebrek.
BNB1993/37 in aanmerking te nemen
nadatde nieuwe woningen tot stand zijn gekomen.
verweerbetoogt de Staatssecretaris dat de reikwijdte van HR
BNB1993/240 beperkt is tot gevallen waarin – anders dan in casu – in de onderneming van de belastingplichtige versleten bedrijfsmiddelen gesloopt worden en vervangen worden door functioneel gelijke bedrijfsmiddelen van vrijwel dezelfde omvang. Belanghebbendes klachten zijn gebaseerd op verkeerde lezing van HR
BNB1993/240 en ’s Hofs uitspraak is naar behoren gemotiveerd, zodat het cassatieberoep ongegrond is.
Goed koopmansgebruik bij sloop van bedrijfsopstallen en bouw van nieuwe bedrijfsopstallen
BNB1957/124 [10] betrof de v.o.f. Gebr. X, die in 1949 een oud pand had gekocht dat bij aankoop onbruikbaar was als bedrijfsgebouw, om het te verbouwen tot showroom, werkplaats en stalling. De vereiste vergunningen werden echter niet verkregen; reden om het pand af te breken en twee woonhuizen voor de firmanten te bouwen, die als bedrijfspanden op de firmabalans werden geactiveerd. Omdat het oorspronkelijke plan niet kon worden uitgevoerd, wilde de firma de boekwaarde van het gesloopte pand ineens afschrijven. U stond dat niet toe:
BNB1971/108: [11] enige tijd na inbreng tegen bedrijfswaarde van een smederij, schuur en erf in een commanditaire vennootschap waarin de belanghebbende commandiet was, werden de smederij en de schuur gesloopt, waarna op de vrijgekomen ondergrond een nieuw gebouw werd gesticht. De c.v. schreef de oude opstallen af tot nihil en activeerde het nieuwe pand tegen de stichtingskosten. De Inspecteur weigerde de afschrijving, omdat volgens hem de vóórsloopse waarde van de opstallen moest worden toegerekend aan het nieuwe pand. Het Hof stelde de Inspecteur in het gelijk en u liet die uitspraak in stand, overwegende:
BNB1983/258 [13] had de belanghebbende een erfpachtrecht verworven op grond met een opstal die hij wilde verbouwen om als kapsalon in zijn onderneming te gebruiken. Enige maanden later besloot hij echter het pand te slopen en een nieuw pand neer te zetten. Daarvoor waren verplichtingen aangegaan ad fl. 180.089,50. In geschil was de berekening van de investeringsbijdrage. U rekende de kostprijs van de sloop-opstal niet toe aan de grond omdat de belanghebbende de opstal niet had gekocht met de bedoeling om te slopen:
BNB1983/258:
FED1983/3914 aan:
BNB1983/259 [15] betrof een BV die op haar terrein rails had liggen voor een mobiele transporteur langs een loswal. Aan de weg, aan drie kanten omsloten door het bedrijfsterrein van de belanghebbende BV, stonden twee aaneengebouwde woonhuizen, waardoor de rails aan weerszijden van die woonhuizen niet rechtstreeks met elkaar in verbinding stonden en de transporteur niet langs de hele loswal verrijdbaar was. De belanghebbende kocht in 1976 een van de woonhuizen en nam het in gebruik als kantoor van een dochtermaatschappij. In 1977 kocht zij ook het andere woonhuis. Na verkrijging van sloopvergunningen brak zij beide woonhuizen af. Op het vrijgekomen terrein werden later de rails van de transporteur doorgetrokken, waarna de transporteur langs de gehele loswal verrijdbaar was. De belanghebbende wilde wegens de sloop van de gekochte panden fl. 203.946 extra afschrijven wegens “de nog niet verbruikte nutsprestaties van de panden”. U overwoog:
BNB1983/259:
V-N1983/1127, 18, tekende aan:
FED1985/8:
BNB1987/151, [16] waarin het niet ging om afschrijving, al dan niet ineens, maar om de grondslag van de investeringsbijdrage (art. 61a (oud) Wet IB ’64). De belanghebbende BV had een hotelbedrijf. Tot haar ondernemingsvermogen behoorde vanaf haar oprichting in 1979 een in haar ingebracht pand waarin zij haar hotelbedrijf (mede) uitoefende. Omdat het pand niet meer geschikt was als hotel, was medio 1978 - dus vóór oprichting van de belanghebbende - al een begin gemaakt met de uitbreiding van het hotel. Na verwezenlijking van de aanbouw besloot de belanghebbende om het oude panddeel te slopen en een nieuwe opstal tegen de nieuwe aanbouw aan te bouwen. U overwoog over de vraag voor welk bedrag investeringsbijdrage kon worden toegekend:
FED1987/407) meende dat dit arrest het onderscheid tussen gesloopte panden voorheen in bedrijfsgebruik en panden aangekocht
omte slopen afschafte:
BNB1993/37 had de belanghebbende ten behoeve van haar onderneming een herenhuis met ondergrond gekocht. Een half jaar nadien, na een kennelijk teleurstellende kostenraming voor renovatie en verbouwing tot kantoorpand, liet zij de opstal alsnog slopen en een nieuw kantoor bouwen op de vrijgekomen grond. In geschil was of de aanschaf/voortbrengingskosten van het nieuwe pand konden worden verminderd met het deel van de koopprijs toerekenbaar aan het herenhuis, zoals de belanghebbende wilde en de Inspecteur weigerde. U stelde de Inspecteur in het gelijk, onder het inmiddels gebruikelijke voorbehoud dat de boekwaarde van het nieuwe pand afgewaardeerd kan worden naar bedrijfswaarde als die lager zou zijn dan de aanschaf/voortbrengingskosten: [17]
FED1993/122) destilleert twee regels uit dit arrest: (i) de hoofdregel in r.o. 3.2 en (ii) de uitzondering op die regel in r.o. 3.3, eerste volzin. De hoofdregel acht hij te ruim en de uitzondering een in de werkelijkheid niet bestaand geval:
BNB1993/37) rechtvaardigt het enkele feit dat de opstal op aangekochte grond wordt gesloopt niet dat de opstalprijs als verlies wordt genomen, maar is dat anders als het gesloopte pand geen of een lagere waarde dan de boekwaarde heeft:
V-N1992/3655, 11:
BNB1993/240 [18] betrof een belanghebbende die in 1988 twee in haar glastuinbedrijf gebruikte warenhuizen liet slopen en voor fl. 260.000 vervangen door een nieuw warenhuis met een nagenoeg gelijke oppervlakte (3.762 m2) als de twee gesloopte warenhuizen tezamen. De oude warenhuizen stonden op sloopdatum voor fl. 20.330 in de boeken, waarvan fl. 6.360 voor de verwarming die werd gehandhaafd om ook in het nieuwe warenhuis te worden gebruikt en die daarom voor hetzelfde bedrag geactiveerd bleef. Het restant ad fl. 13.970 van de boekwaarde wilde de belanghebbende in 1988 ineens ten laste van haar winst brengen, hetgeen de Inspecteur weigerde. De bedrijfswaarde van de gesloopte warenhuizen was op sloopdatum fl. 7.500. Het Hof accordeerde afschrijving ineens naar de bedrijfswaarde van de slooppanden, alsmede activering van die bedrijfswaarde (fl. 7.500) als onderdeel van de kostprijs van het nieuwe warenhuis, dat aldus op fl. 267.500 op de balans zou komen. Omdat de partijen het echter eens waren dat de bedrijfswaarde van het nieuwe warenhuis slechts fl. 260.000 was, kon ook die resterende bedrijfswaarde ad fl. 7.500 in 1988 ineens worden afgeschreven. De Staatssecretaris betoogde in cassatie dat de volle fl. 13.970 aan de grond moest worden toegerekend en dus niet afschrijfbaar was. U overwoog:
zelfsniet geactiveerd te worden als onderdeel van de kostprijs van het nieuwe huis, ongeacht de – volgens het Hof juist beslissende – bedrijfswaarde van het nieuwe huis. Dit arrest zegt dus dat als het gaat om (i) vervanging van een in de bedrijfsuitoefening versleten bouwsel door (ii) een functioneel zelfde bedrijfsmiddel, (iii) van vrijwel dezelfde omvang als het gesloopte bouwsel, de boekwaarde van het te slopen bouwsel ineens afgeschreven kan worden.
BNB1993/240) had weinig begrip voor uw zijns inziens inconsistente rechtspraak, die tot dit Warenhuisarrest inhield dat er maar twee smaken waren: toerekenen aan de grond of activeren als onderdeel van de kostprijs van de opstal, dus
niet: ineens expensen. Ook de criteria voor de keuze tussen toerekenen aan de grond of activeren en afschrijven deugden volgens hem overigens niet:
FED1993/482) tekende aan:
BNB1993/37], maar welke tot een verrassende uitkomst leidde.
V-N1993/2003, 31 beantwoordde een vraag van een lezer over het V-N-commentaar op het Warenhuisarrest als volgt:
Vraagvan D.N. te G. (nr. 6772)
BNB2008/74 [23] (Duwbakken) ingegaan op de mogelijke betekenis ervan:
expensedkonden worden of geactiveerd moesten worden als deel van de kostprijs van de nieuwe duwbakken. U overwoog dat dat de belastingplichtige “de tonnage (heeft) aangekocht kennelijk met het doel ten behoeve van de investering in de nieuwe duwbakken te voldoen aan een voorwaarde waarvan het mogen benutten van die investering afhing”, en dat goed koopmansgebruik onder die omstandigheden “niet toe(laat) de aanschaffingskosten van de tonnage als onderdeel van de kostprijs buiten aanmerking te laten,” waarmee het Duwbakken-arrest volgens Lubbers [24] in de lijn past van “activeren van uitgaven die noodzakelijkerwijze moeten worden gedaan om het bedrijfsmiddel in de onderneming te kunnen gaan gebruiken.”
5.De afwaarderingsbeperking van art. 3.29c Wet IB 2001
BNB1993/37, [25] inhoudende dat de met de boekwaarde van de gesloopte opstal verhoogde voortbrengingskosten van de nieuwe opstal kunnen worden afgeboekt naar een eventueel lagere bedrijfswaarde van die nieuwe opstal. Zij meent dat de wetgever met art. 3.29c Wet IB 2001 niet heeft bedoeld de specifieke afwaardering naar bedrijfswaarde na sloop en nieuwbouw bedoeld in HR
BNB1993/37 onmogelijk te maken, maar alleen om te voorkomen dat op de kostprijs wordt afgeboekt op de grond dat verhuurd zal worden beneden de marktprijs.
obiter dictumaan te geven dat art. 3.29c Wet IB 2001 niet in de weg staat aan afboeking naar bedrijfswaarde in een geval van sloop zoals het hare. Volgens haar worden woningcorporaties anders gedwongen tot voorfinanciering van vennootschapsbelasting, hetgeen hun financierings- en investeringsruimte daadwerkelijk zou aantasten en ook een maatschappelijk probleem zou veroorzaken, nl. een tekort aan betaalbare huurwoningen.
6.Beoordeling van het cassatieberoep
BNB1993/240 ook na afboeking naar bedrijfswaarde nog voor fl. 7.500 in de boeken stonden, waren zij kennelijk economisch niet versleten toen zij werden gesloopt. Datzelfde geldt voor de litigieuze sloopwoningen, aldus de feitenrechters in onze zaak. Toch nam u in het Warenhuisarrest de kwalificatie ‘in de bedrijfsuitoefening versleten’ voor de warenhuizen van het Hof over. Dat lijkt niet logisch, want als zij economisch volledig versleten waren, zou de afboeking naar bedrijfswaarde naar nihil hebben geleid. Wat daarvan ook zij, uit het Warenhuisarrest volgt dus dat de resterende verhuurbaarheid (de resterende bedrijfswaarde) van belanghebbendes sloopwoningen op zichzelf niet in de weg hoeft te staan aan afboeking naar nihil, want dat was in het Warenhuisarrest evenmin het geval.
US Supreme Courtzou aanduiden als ‘we limit that case to its facts’ (in belanghebbendes geval: de vervanging van ‘in de bedrijfsuitoefening versleten bedrijfsmiddelen’ door functioneel identieke bedrijfsmiddelen van dezelfde omvang). Onvriendelijker uitgelegd houdt ’s Hofs oordeel in dat het Warenhuisarrest een onverklaarbare
outlyeris die daarom niet relevant is in het kader van uw door het Hof overigens gesignaleerde
stare decisis.
BNB1993/240 uit als een verfijning van de regel van HR
BNB1993/37 (zie 4.15 hierboven), inhoudende dat als te slopen, economisch versleten bedrijfsmiddelen nog een boekwaarde hebben, er kennelijk te weinig op is afgeschreven in het licht van de voorgenomen sloop en nieuwbouw, zodat die afschrijving gecorrigeerd moet worden om te voorkomen dat die te hoge boekwaarde wordt ‘doorgerold’ naar de kostprijs van het nieuwe bedrijfsmiddel.
BNB2007/299 [27] (grondwaardestijging hoeft niet bij de restwaardebepaling voor opstal-afschrijvingsdoeleinden betrokken te worden als die stijging bij het einde van de opstalgebruiksduur niet gerealiseerd zal worden omdat de grond ook na dat einde dienstbaar zal blijven aan de onderneming, zoals in casu), ook in gevallen als het hare van toepassing is. Ik zie niet goed hoe daarover ‘nadere discussies’ met de belastingdienst zouden kunnen ontstaan, nu de regel van HR
BNB2007/299 mij duidelijk lijkt en geen bevestiging behoeft, maar wellicht kan de belanghebbende bij Borgersbrief ophelderen welke inhoud die ‘nadere discussies’ met de Belastingdienst dan hebben, met name welk interpretatieprobleem ter zake van HR
BNB2007/299 dan in de praktijk zou bestaan.