ECLI:NL:PHR:2007:AZ1702
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing noodzakelijkheidscriterium bij horen getuigen in hoger beroep
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem waarin verdachte is veroordeeld voor bedreiging met een geldboete en subsidiair hechtenis. Centrale vraag is de juiste toepassing van het criterium voor het horen van getuigen in hoger beroep na invoering van de Wet getuigenverhoor (Stb. 579) van 10 november 2004.
De Hoge Raad bespreekt het onderscheid tussen het criterium van "redelijkerwijs noodzakelijk" en het eerdere criterium van "verdedigingsbelang" bij het verzoek van de verdediging om getuigen te horen. De wetgever heeft met de nieuwe formulering geen andere maatstaf beoogd, maar een ruimere toetsing mogelijk gemaakt. Het hof heeft in deze zaak het verzoek om het horen van getuigen afgewezen omdat het horen niet redelijkerwijs noodzakelijk werd geacht, en dit oordeel is voldoende gemotiveerd.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het niet horen van getuigen die eerder door de rechter-commissaris zijn gehoord niet in strijd is met het onmiddellijkheidsbeginsel van artikel 6 EVRM Pro, zolang de verdediging de mogelijkheid heeft gehad de verklaringen te toetsen. Ook het hof heeft terecht geoordeeld dat het horen van karaktergetuigen niet noodzakelijk was.
Ten slotte bespreekt de Hoge Raad de procedurele eisen voor het indienen van een schriftuur met opgave van getuigen en bevestigt dat de opgave aan strikte vormvereisten moet voldoen. Het beroep wordt verworpen omdat geen onrechtmatigheden zijn vastgesteld.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling met geldboete en subsidiaire hechtenis.