ECLI:NL:PHR:2007:AZ2841
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over vermogensetikettering van woning dienstbaar aan bedrijfsuitoefening
Belanghebbende exploiteerde een garagebedrijf en rekende de woning, die aan het bedrijfspand vastgebouwd is, tot zijn ondernemingsvermogen. De inspecteur verhoogde het belastbaar inkomen omdat belanghebbende de woning tot privé-vermogen rekende. Het Hof oordeelde dat de woning mede dienstbaar was aan de bedrijfsuitoefening en dat belanghebbende de grenzen der redelijkheid niet overschreed door de woning tot het ondernemingsvermogen te rekenen.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof onvoldoende rekening had gehouden met de splitsbaarheid van het pand en dat het oordeel onbegrijpelijk was. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat sprake was van keuzevermogen en dat de woning mede dienstbaar was aan de bedrijfsuitoefening. De feitelijke beoordeling van het gebruik en de splitsbaarheid van het pand is aan het Hof, en het oordeel is niet onbegrijpelijk.
De Hoge Raad bevestigde dat een eenmaal gemaakte keuze voor vermogensetikettering niet zonder bijzondere omstandigheden kan worden herzien. Omdat geen bijzondere omstandigheden waren gesteld, mocht belanghebbende de woning niet onttrekken aan het ondernemingsvermogen. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de woning tot het ondernemingsvermogen behoort.