ECLI:NL:PHR:2007:AZ6097

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R06/071HR
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 WtbzArt. 33 WtbzArt. 35 WtbzArt. 40 WtbzArt. 143 Rv
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Begrotingsprocedure declaratiegeschil tussen cassatieadvocaat en cliënt

Deze zaak betreft een begrotingsprocedure op grond van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz) tussen een cassatieadvocaat en zijn cliënt over de hoogte van declaraties.

De advocaat heeft namens de cliënt een cassatieprocedure gevoerd, maar de cliënt heeft niet betaald. De advocaat heeft daarop de Raad van Toezicht verzocht om begroting van zijn declaraties. De Raad van Toezicht heeft een bedrag vastgesteld, maar de cliënt betwist een deel van de declaraties wegens een creditnota die niet in aanmerking is genomen.

De Hoge Raad stelt het bedrag van € 5.979,78 vast als verschuldigd en beveelt betaling daarvan, met een termijn van vier weken voor verzet. Het betwiste bedrag van € 112,62, gerelateerd aan een creditnota, wordt niet direct vastgesteld omdat onduidelijk is op welke declaratie deze betrekking heeft. Partijen krijgen gelegenheid om zich hierover uit te laten.

De procedure toont de toepassing van de Wtbz bij declaratiegeschillen en de bevoegdheid van de president van de Hoge Raad tot nadere vaststelling van het salaris van de advocaat.

Uitkomst: De Hoge Raad stelt het bedrag van € 5.979,78 vast als verschuldigd en beveelt betaling met een termijn van vier weken voor verzet.

Conclusie

Rekestnr. R06/071HR
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Parket, 12 januari 2007
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
[Verweerder]
Deze zaak betreft een begrotingsprocedure op de voet van art. 33 Wet Pro tarieven in burgerlijke zaken.
1. Feiten(1) en procesverloop
1.1 Bij brief van 24 maart 2003 heeft mr. N.J.P. Frijns, die voor verweerder, [verweerder], een procedure heeft gevoerd bij de rechtbank te Maastricht en het gerechtshof te 's- Hertogenbosch, zich gewend tot een toenmalige kantoorgenoot van verzoeker, [verzoeker], voor het voeren van een cassatieprocedure. Vervolgens heeft [verzoeker] een cassatieadvies uitgebracht en - in opdracht van [verweerder](2) - cassatie ingesteld(3).
1.2 Voordat de schriftelijke toelichting werd genomen, heeft [verzoeker] zich ter rolle van de Hoge Raad aan de zaak onttrokken omdat van de zijde van [verweerder] geen enkele betaling, waarom was verzocht, was gedaan.
1.3 [Verweerder] heeft bij brief van 6 december 2004 aan de Raad van Toezicht voor de Orde van Advocaten bij de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Raad van Toezicht) een klacht tegen [verzoeker] ingediend en tevens om begroting van de door hem betwiste declaraties van [verzoeker] verzocht.
1.4 Bij brief van 10 december 2004 heeft [verzoeker] de Raad van Toezicht op de voet van art. 32 van Pro de Wet tarieven in burgerlijke zaken (hierna: Wtbz) verzocht om begroting van zijn aan [verweerder] in rekening gebrachte salaris. Het betrof een drietal verzonden declaraties ter grootte van respectievelijk € 4.716,05 (van 25 juli 2003), € 373,52 (van 20 oktober 2003) en € 1.223,53 (van 5 januari 2004), derhalve een totaalbedrag van € 6.323,10.
1.5 Bij brief van 12 maart 2005 (met bijlagen) heeft [verweerder] in een reactie op het verweer van [verzoeker] tegen de klacht, zijn bezwaren tegen de declaraties van [verzoeker] nader uitgewerkt en toegelicht en - zakelijk weergegeven - gesteld(4) dat (i) voor een aantal verrichtingen te veel tijd in rekening is gebracht en (ii) werkzaamheden die door medewerkers, niet zijnde advocaten zijn verricht, volgens het uurtarief van [verzoeker] in rekening zijn gebracht. Voorts heeft [verweerder] aangevoerd dat (iii) [verzoeker] bij brief van 9 april 2003 heeft meegedeeld dat de kosten van de behandeling van de zaak worden berekend op basis van de daaraan bestede uren en dat zijn uurtarief € 193,- bedraagt te vermeerderen met kosten en verschotten, terwijl een eerste indexering per 1 januari 2004 zou plaatsvinden. [Verzoeker] heeft in afwijking van deze afspraak onmiddellijk een uurtarief van € 201,- gehanteerd. Daarnaast heeft [verzoeker] volgens [verweerder] dubbel gedeclareerd doordat hij in de declaraties niet het voorschot in mindering heeft gebracht.
1.6 [Verzoeker] heeft bij brief van 5 april 2005 aan de Raad van Toezicht het hiervoor onder 1.5 onder (iii) aangevoerde als juist erkend en gesteld dat de desbetreffende declaratie met een bedrag van € 230,68 moet worden verminderd, waarmee het totaal uitkomt op € 6.092,40.
1.7 De Raad van Toezicht heeft de voorgelegde declaraties bij beslissing van 16 maart 2006 begroot op een bedrag van € 6.092,40.
1.8 Bij verzoekschrift (met bijlagen), ingekomen ter griffie van de Hoge Raad der Nederlanden op 8 juni 2006, heeft [verzoeker] de president van de Hoge Raad der Nederlanden verzocht bij bevelschrift van tenuitvoerlegging het door [verweerder] aan hem verschuldigde nader vast te stellen als bedoeld in art. 33 Wtbz Pro, nu [verweerder] ondanks aanmaning het door de Raad van Toezicht begrote bedrag niet heeft voldaan.
1.9 [Verweerder] heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend, dat op 2 augustus 2006 ter griffie van de Hoge Raad der Nederlanden is ingekomen.
Volgens [verweerder] heeft de Raad van Toezicht de begroting op een onjuist bedrag vastgesteld en had de Raad van Toezicht het bedrag dienen te begroten op € 5.979,78. [verweerder] voert daartoe aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met een creditfactuur van 28(5) oktober 2004 van € 112,62.
1.10 Partijen hebben afgezien van een mondelinge behandeling van het verzoek(6).
2. Beoordeling
2.1 De uit 1843 daterende Wet tarieven in burgerlijke zaken voorziet in een bijzondere rechtsgang in geval van een geschil tussen een advocaat en zijn cliënt over het salaris(7). De artikelen 32-40 Wtbz kunnen alleen worden toegepast in geval van een geschil over de hoogte van het bedrag van de declaratie, maar niet in geschillen die niet de omvang van het gedeclareerde bedrag betreffen(8). Indien sprake is van een geschil over de hoogte van het salaris van de advocaat, wordt in art. 32 Wtbz Pro de begroting daarvan opgedragen aan de Raad van Toezicht in het arrondissement waarin de advocaat woonachtig is.
2.2 Indien de Raad van Toezicht het salaris heeft begroot en de advocaat met die begroting geen genoegen neemt of - zoals in het onderhavige geval - de cliënt weigerachtig blijft het bedrag daarvan te voldoen, vindt op grond van art. 33 Wtbz Pro nadere vaststelling plaats door "den voorzitter van het collegie waar de zaak, waarin het salaris berekend is, gediend heeft, of door een der leden, daartoe door hem benoemd". Nu het hier de door [verzoeker] voor [verweerder] gevoerde cassatieprocedure betreft, dient de nadere vaststelling dus te geschieden door de president van de Hoge Raad(9).
2.3 Art. 35 Wtbz Pro luidt als volgt:
"1. De regter, door wien de begrooting geschiedt, is bevoegd de overlegging der justificatoire stukken te vorderen.
2. Hij slaat bij de begrooting acht op de omstandigheid, of de gemaakte kosten en verschotten en de gedeclareerde vacatien, naar den aard der zaak, nuttig, doelmatig of noodig kunnen geacht worden, of door den client zijn verlangd, en wijzigt, roijeert of vermindert de zoodanige, welke daarbij geoordeeld worden overbodig te zijn, of de palen eener billijke gematigdheid te overschrijden, daarbij in aanmerking nemende het gewigt der zaak, en de moeijelijkheid die zij mogt hebben opgeleverd."
Hieruit volgt dat de rechterlijke toetsing niet marginaal is.
2.4 Uit het verweerschrift kan worden afgeleid dat [verweerder] het door de Raad van Toezicht begrote bedrag slechts betwist voorzover daarin geen rekening is gehouden met de thans door [verweerder] overgelegde creditnota van 28 oktober 2004 groot € 112,62. Over het resterende bedrag van € 5.979,78 bestaat (kennelijk) niet langer een geschil. Voor dit bedrag kan derhalve nadere vaststelling plaatsvinden.
Mijn conclusie strekt ertoe dat reeds thans een bevelschrift tot betaling door [verweerder] aan [verzoeker] van het bedrag van € 5.979,78 wordt uitgevaardigd en dat daarbij een termijn wordt bepaald voor het verzet als bedoeld in art. 40 Wtbz Pro, aangezien de wet geen termijn bevat. Daarbij kan worden aangesloten bij de algemene termijn voor het instellen van verzet van art. 143 Rv Pro, te weten binnen vier weken na de te wijzen uitspraak.
2.5 Met betrekking tot het betwiste bedrag van € 112,62 geldt m.i. het volgende.
De creditnota van 28 oktober 2004 vermeldt, voorzover thans van belang:
Declaratienummer
[001]
Inzake: F020-10003561
[verweerder]/[betrokkene 2]
Voor werkzaamheden als vermeld in bijgaande specificatie.
Verschotten (belast)-94,64
BTW 19%-17,98
Totaal €-112,62
Uit de bijgevoegde "specificatie verschotten" blijkt dat het gaat om "kosten deurwaarder (belast)".
2.6 In het verweerschrift is niet uit de doeken gedaan waarom deze creditnota is verstuurd en op welke declaratie deze verschotten in mindering zijn gebracht. Uit de creditnota kan dit evenmin worden afgeleid.
Aangezien [verzoeker] heeft afgezien van een schriftelijke reactie op het verweerschrift, is ook van die zijde geen nadere uitleg voorhanden.
2.7 Ik constateer allereerst dat het (dossier)nummer op de creditnota overeen komt met het dossiernummer op de drie ter begroting ingediende declaraties (F020-10003561). Daarnaast valt op dat in de declaratie van 20 oktober 2003 ook een post belaste verschotten van € 94,64 voorkomt. Het enkele voorkomen van die post biedt m.i. echter onvoldoende aanknopingspunt om aan te nemen dat het dezelfde post betreft en dat die ten onrechte in de begroting is betrokken. Mogelijk heeft de creditnota betrekking op een andere, niet ter begroting ingediende declaratie of zijn de gecrediteerde verschotten anderszins buiten de begroting gebleven. De begrotingsprocedure is immers eerst ná verzending van de creditnota aangevangen.
2.8 Gelet op het bovenstaande komt het mij geraden voor dat - mochten partijen over dit bedrag willen doorprocederen - de president gebruik maakt van zijn bevoegdheid van art. 35 lid 1 Wtbz Pro en dat partijen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de creditnota van 28 oktober 2004, waarbij zij met name opheldering dienen te verschaffen over de vraag op welke declaratie de creditnota betrekking heeft.
3. Conclusie
De conclusie strekt ertoe dat:
- bij beschikking het bedrag van het door [verweerder] aan [verzoeker] verschuldigde van de declaraties van 25 juli 2003, 20 oktober 2003 en 5 januari 2004 nader wordt vastgesteld op € 5.979,78 en dat de tenuitvoerlegging van deze beschikking voor het genoemde bedrag wordt bevolen;
- de termijn waarbinnen [verweerder] hiertegen in verzet kan komen, wordt bepaald op vier weken na de uitspraak;
- partijen zich voor het overige uitlaten over de creditnota van 28 oktober 2004 als onder 2.8 aangegeven.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie de beslissing van de Raad van Toezicht voor de Orde van Advocaten bij de Hoge Raad der Nederlanden van
16 maart 2006 onder 3.
2 Zie zijn brief van 3 juni 2003.
3 Deze cassatieprocedure heeft geleid tot HR 29 oktober 2004, NJ 2004, 673.
4 Zie voor een opsomming van alle argumenten die op de klacht en de begroting betrekking hebben de beslissing van de Raad van Toezicht van 16 maart 2006 onder 4.
5 Het verweerschrift verwijst - kennelijk per abuis - naar "de creditfactuur van 20 oktober 2004". De desbetreffende creditnota is overgelegd als bijlage 4.
6 Beide partijen hebben de Hoge Raad hiervan mededeling gedaan bij brief van 16 augustus 2006; deze brieven bevinden zich in het griffiedossier.
7 Zie voor een uitgebreide uiteenzetting over de (totstandkoming van de) Wtbz o.m. mijn conclusie vóór HR 4 maart 2005, NJ 2005, 370.
8 HR 18 juni 1993, NJ 1994, 4 m.nt. HER.
9 Op grond van art. IX van het Reglement van Inwendige Dienst van de Hoge Raad der Nederlanden is dit de voorzitter van de Eerste Meervoudige Kamer.