ECLI:NL:PHR:2007:AZ7747
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over draagkrachtverweer en schatting wederrechtelijk verkregen voordeel in ontnemingszaak drugshandel
In deze zaak stond centraal de vraag hoe en wanneer het draagkrachtverweer in een ontnemingsprocedure aan de orde kan worden gesteld en hoe het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld en toegerekend. De betrokkene was veroordeeld voor medeplegen van handel in harddrugs en werd door het hof verplicht tot betaling van een bedrag van € 21.825,05 als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De Hoge Raad bevestigde dat het draagkrachtverweer in beginsel pas in de executiefase aan de orde kan komen, tenzij vooraf duidelijk is dat betrokkene geen draagkracht heeft en ook in de toekomst niet zal hebben. Het hof had het draagkrachtverweer van de betrokkene verworpen omdat onvoldoende aannemelijk was dat zij geen draagkracht had, mede gelet op vermogensbestanddelen waaruit de vordering kon worden voldaan.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het hof op een begrijpelijke wijze had vastgesteld welk deel van het voordeel aan de betrokkene toekomt, waarbij rekening was gehouden met de rol van de betrokkene en haar echtgenoot binnen de criminele organisatie. De verdeling van het voordeel was gebaseerd op alle bekende omstandigheden en niet onbegrijpelijk. Ook het verweer dat de betrokkene geen financieel voordeel had genoten werd verworpen.
Ten slotte werd een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase vastgesteld, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde betalingsverplichting. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het bedrag van de betalingsverplichting betreft en stelde het bedrag naar eigen inzicht vast, met verwerping van het beroep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en verwerpt het draagkrachtverweer, maar vermindert de betalingsverplichting wegens termijnoverschrijding.