ECLI:NL:PHR:2007:AZ8798
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt schatting wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel ondanks termijnoverschrijding
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde uit drugshandel vastgesteld op €6.870 en een betaling aan de Staat van €6.500 opgelegd. De Hoge Raad bevestigt deze schatting ondanks het feit dat de redelijke termijn voor berechting in cassatie is overschreden. De overschrijding leidt niet tot vermindering van het ontnemingsbedrag, maar zal worden betrokken bij de strafoplegging in de samenhangende strafzaak.
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op verklaringen van de veroordeelde en medeverdachten, proces-verbalen van politieverhoren en inbeslagnames. Voor cocaïne is uitgegaan van een verkoop van 200 gram versneden cocaïne met een winst van €2.780, gedeeld door twee personen. Voor GHB is het voordeel gesteld op €90, rekening houdend met inbeslagname van een deel van de voorraad en gemaakte reiskosten. Voor XTC is het voordeel berekend op €4.000 op basis van verkoop van 1000 pillen.
De verdediging betoogde onder meer dat de verhouding van versnijdingsmiddelen onjuist was en dat de berekening niet uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid. De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende gemotiveerd heeft gekozen voor de verhouding 1:2:2 en dat de berekeningen als toelichting op de schatting moeten worden gezien, niet als zelfstandige bewijsmiddelen. Tevens is de vrijheid van de rechter om kosten in mindering te brengen op het bruto voordeel bevestigd.
De middelen van de verdediging worden verworpen en het beroep in cassatie wordt afgewezen. De uitspraak bevestigt de rechtspraak omtrent de beoordeling van wederrechtelijk verkregen voordeel en de toepassing van redelijke termijn in ontnemingsprocedures.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en wijst het cassatieberoep af.