ECLI:NL:PHR:2007:BA0422
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verplichting vermelding vordering OM in aantekening mondeling arrest
In deze zaak werd verdachte op 20 december 2005 door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf wegens diefstal. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Namens verdachte werd cassatie ingesteld met het middel dat het Hof ten onrechte de vordering van de Advocaat-Generaal niet in de aantekening van het mondeling arrest had opgenomen.
De Hoge Raad onderzoekt de betekenis van art. 359 lid 1 Sv Pro, dat sinds 1 januari 2005 vereist dat het vonnis de vordering van het Openbaar Ministerie bevat. De Raad stelt vast dat deze verplichting geldt voor het vonnis zelf, maar dat de Regeling aantekening mondeling vonnis geen voorschrift bevat dat de vordering ook in de aantekening moet worden vermeld. De Minister van Justitie heeft nagelaten deze regeling aan te passen aan de wetswijziging.
De Hoge Raad concludeert dat het ontbreken van de vordering in de aantekening geen strijd oplevert met de beginselen van een goede procesorde en dat het proces-verbaal waarin de vordering wel is vermeld voldoende is. Ook een eventuele kennelijke misslag kan in cassatie worden hersteld. Het middel wordt daarom verworpen en het beroep afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de vordering van het Openbaar Ministerie niet verplicht in de aantekening van het mondeling arrest hoeft te worden vermeld.