ECLI:NL:HR:2007:BA0422
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Vaststelling toepassing art. 359 lid 1 Sv bij mondeling arrest en vordering OM
In deze zaak stond centraal de vraag of bij een mondeling arrest van de enkelvoudige strafkamer in hoger beroep de vordering van het openbaar ministerie verplicht in de aantekening van het arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting moet worden opgenomen. Dit naar aanleiding van de wijziging van art. 359, eerste lid, Sv per 1 januari 2005.
De Hoge Raad stelde vast dat de Regeling aantekening mondeling vonnis van 2 oktober 1996 niet was aangepast aan deze wetswijziging en dat deze regeling niets voorschrijft over de vermelding van de vordering van het OM in de aantekening van het mondeling arrest. De aantekening en het proces-verbaal van de terechtzitting vormen samen één geheel wat betreft de inhoud van het arrest.
De Hoge Raad concludeerde dat aan het voorschrift van art. 359, eerste lid, Sv wordt voldaan wanneer de vordering van het OM is weergegeven in of gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting. Er is geen rechtsregel die vereist dat de vordering ook in de aantekening van het mondeling arrest moet worden opgenomen.
Het beroep van de verdachte, die stelde dat het hof dit voorschrift had geschonden door de vordering niet in de aantekening op te nemen, werd verworpen. De Hoge Raad vond geen grond voor vernietiging van het arrest en bevestigde daarmee de geldende praktijk en interpretatie van de wettelijke bepalingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de vordering van het OM hoeft niet in de aantekening van het mondeling arrest te worden opgenomen indien deze in het proces-verbaal is vermeld.